ECLI:NL:RBROT:2013:6618
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boetes wegens overtreding hygiënevoorschriften levensmiddelenbedrijf
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport legde op 23 maart 2012 bestuurlijke boetes op aan een exploitant van een levensmiddelenbedrijf wegens overtreding van hygiënevoorschriften uit Verordening (EG) 852/2004. Het bezwaar tegen deze boetes werd door de minister ongegrond verklaard, waarna beroep werd ingesteld.
Tijdens de zitting verscheen de gemachtigde van de exploitant, die tevens de zoon is, terwijl de exploitant zelf niet kwam opdagen. De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit aan de gemachtigde was gericht en kwalificeerde dit als een kennelijke vergissing in tenaamstelling. Het beroep werd dan ook geacht namens de exploitant te zijn ingesteld.
De rechtbank constateerde dat de overtredingen hardnekkig waren en dat eerdere boetes niet tot naleving hadden geleid. Ondanks de aangevoerde financiële problemen, die onvoldoende waren onderbouwd, zag de rechtbank geen reden tot matiging van de boetes. Gezien de ernst en herhaling van de overtredingen achtte de rechtbank afschrikwekkende boetes noodzakelijk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boetes wordt ongegrond verklaard en de boetes worden bevestigd.