ECLI:NL:RBROT:2013:6691
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling veroordeelde
De rechtbank Rotterdam behandelde op 28 augustus 2013 de vordering van het openbaar ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, die gevangenisstraf uitzit opgelegd door de gerechtshoven Amsterdam en Den Haag. De veroordeelde zat twee straffen uit, waarvan één vóór en één na de invoering van het huidige regime voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank verklaarde het OM ontvankelijk in de vordering, ondanks bezwaren over de toepasselijkheid van het overgangsrecht en de termijn van indiening. Het reclasseringsrapport en het advies van de penitentiaire inrichting adviseerden om de veroordeelde in aanmerking te laten komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, contact- en locatieverbod.
De vordering van het OM was mede gebaseerd op ernstige gedragingen van de veroordeelde tijdens detentie, waaronder een verdenking van voorbereiden terroristische misdrijven en disciplinaire straffen. De rechtbank oordeelde dat het strafrechtelijk onderzoek was geseponeerd en de gedragingen niet ernstig genoeg waren om uitstel te rechtvaardigen. Het risico op recidive kon voldoende worden beperkt door oplegging van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank wees de vordering af en bepaalde dat de veroordeelde op 6 september 2013 voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld. Tevens adviseerde zij het OM om te bezien of het verbod om Nederland te verlaten als bijzondere voorwaarde strikt noodzakelijk is.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling af en bepaalt dat de veroordeelde op 6 september 2013 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.