Eiser ontving een uitkering op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) en liep een werkstage bij de gemeente Rotterdam als assistent-klantmanager van mei 2010 tot mei 2012. Bij het aangaan van de stageovereenkomst werd eiser als interne kandidaat aangemerkt, wat inhield dat hij in aanmerking zou komen voor vacatures binnen de gemeente.
In 2010 besloot de gemeente Rotterdam te bezuinigen en de organisatie te verkleinen. Dit leidde tot een vacaturestop en het niet verlengen van tijdelijke dienstverbanden vanaf mei 2011. Eiser werd in april 2011 geïnformeerd dat hij niet langer als interne kandidaat werd beschouwd en zich op vacatures buiten de dienst moest richten.
Eiser vorderde nakoming van de toezegging om als interne kandidaat te worden behandeld, maar de gemeente beriep zich op onvoorziene omstandigheden vanwege de bezuinigingen. De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde omstandigheden niet waren voorzien bij het sluiten van de overeenkomst en dat de gemeente in redelijkheid mocht afwijken van de toezegging. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.