Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2013:7064

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 september 2013
Publicatiedatum
12 september 2013
Zaaknummer
433754 HA RK 13-856
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek rechter tot verschoning wegens schijn van partijdigheid

In deze zaak heeft een rechter van de rechtbank Rotterdam een verzoek tot verschoning ingediend vanwege een mogelijke schijn van partijdigheid. De rechter gaf aan dat hij geen subjectieve onpartijdigheid in twijfel trok, maar dat door zijn eerdere werkzaamheden bij het advocatenkantoor van de landsadvocaat, dat betrokken is bij de procedure, de schijn van partijdigheid zou kunnen ontstaan.

Tijdens de zitting op 10 september 2013 werd het verzoek behandeld in aanwezigheid van de betrokken partijen en hun advocaten. De rechter stelde dat het belang van een goede rechtspleging en de belangen van partijen niet gediend zouden zijn als hij de zaak verder zou behandelen, omdat dit tot discussie over zijn persoon zou kunnen leiden.

De rechtbank oordeelde dat hoewel er geen aanwijzingen waren voor subjectieve partijdigheid, de objectieve vrees voor schijn van partijdigheid zwaarwegend was. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen, en de rechter mocht zich onttrekken aan de verdere behandeling van de procedure.

Uitkomst: Het verzoek van de rechter tot verschoning wegens schijn van partijdigheid wordt toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor verschoningszaken
Uitspraak: 12 september 2013
Zaaknummer: 433754
Rekestnummer: HA RK 13-856
Zaaknummer bodemprocedure: 419404 / HA ZA 13-226
Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:
[rechter],
rechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht (hierna: de rechter),
ertoe strekkende zich te mogen verschonen in de zaak van:
[eiser],
wonende te ’s-Gravenhage,
eiser,
advocaat mr. H.J.A. Knijff
tegen
[gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], gedaagden, allen domicilie kiezende ten kantore van hun advocaat mr. O.G. Trojan te ’s-Gravenhage,
in welke zaak intervenieert:
[interveniënt 1],
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. M.Ch. Kaaks.

1.Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechter is in behandeling de zaak tussen eiser, gedaagden en interveniënt voornoemd,
met kenmerk 433754 / HA RK 13-856.
Op 29 augustus 2013 heeft de rechter een schriftelijk verzoek tot verschoning gedaan.
De verschoningskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor
omschreven procedure.
De rechter, alsmede de advocaten van de procespartijen zijn verwittigd van de datum en het
tijdstip waarop het verzoek om verschoning zou worden behandeld en zijn voor de zitting
uitgenodigd.
Ter zitting van 10 september 2013, alwaar het verzoek om verschoning is behandeld, zijn
verschenen: [rechter], [gedaagde 1], [betrokkene], namens [gedaagde 3], bijgestaan
door mr. O.G. Trojan en mr. I. Bremmer-van Splunter, alsmede [interveniënt 2] namens
[interveniënt 1], bijgestaan door mr. M.Ch. Kaaks. De gedaagde [gedaagde 4] is
niet verschenen.

2.Het verzoek en het verweer daartegen

2.1
Ter adstructie van het verzoek om verschoning heeft de rechter het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
Ik wil vooropstellen dat er geen enkele aanleiding is mijn subjectieve onpartijdigheid in twijfel te trekken. Het gaat hier louter om de mogelijke schijn van partijdigheid. Ik heb eiser nooit ontmoet en ben ook nooit betrokken geweest bij zaken die met zijn positie verband hielden en ik was overigens ook niet op de hoogte van betrokkenheid van het kantoor van de landsadvcoaat bij procedures in verband met eiser.
Door de advocaat van interveniënt is – onder meer - aangevoerd dat ik in het verleden werkzaam ben geweest als advocaat bij het kantoor van de landsadvocaat dat nu betrokken is bij procedures in verband met eiser. In de door de advocaat van interveniënt geschetste omstandigheden is voorstelbaar dat partijen zouden kunnen menen dat de onpartijdigheid van de rechter niet boven iedere twijfel verheven is en dus, in de visie van partijen, schade zou kunnen lijden. Nu vragen over mijn onpartijdigheid bij een van partijen daadwerkelijk zijn opgekomen acht ik het ongewenst dat ik deze zaak verder behandel. Te vrezen valt immers dat bij de verdere behandeling van de zaak een discussie over de persoon van de rechter zal moeten plaatsvinden. Daarmee is het belang van een goede rechtspleging en zijn de belangen van partijen niet gediend.
2.2
Namens de procespartijen is verzocht het verzoek van de rechter toe te wijzen.

3. De beoordeling

3.1
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Aan de door de rechter aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.
3.3
Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden - objectief - gerechtvaardigd is.
3.4
De door de rechter aangevoerde omstandigheden leveren naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 3.3 bedoeld op.
3.5
Het verzoek wordt om deze reden toegewezen

4.De beslissing

wijst toe het verzoek van [rechter] om zich te mogen verschonen van de (verdere) behandeling van de procedure met kenmerk 419404 / HA ZA 13-226 tussen
[eiser] als eiser, [gedaagde 1],[gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gedaagden, en [interveniënt 1] als interveniënt.
Deze beslissing is gegeven op 12 september 2013 door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter,
mr. M. Fiege en mr. H. van Lokven- van der Meer, rechters.
Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier.
aan: