Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2013 in de zaak tussen
Vennootschap onder firma [eiseres], te [plaats], eiseres,
,verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Funkeheeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij uitspraak van 25 februari 1993 (ECLI:NL:XX:1993:AD1839) bepaald dat het nemo tenetur beginsel zijn gelding krijgt op het moment dat er sprake is van een ‘criminal charge’ jegens de justitiabele. Er is sprake van een criminal charge vanaf het moment waarop van overheidswege jegens een persoon een handeling is verricht waaruit deze persoon in redelijkheid moet vrezen voor vervolging, dan wel, in bestuursrechtelijke zin, redelijkerwijs uit die handeling heeft kunnen afleiden dat aan hem een punitieve sanctie zal worden opgelegd. In geschil is of met het overleggen van de journaals reeds sprake was van een criminal charge. De verplichting om journaals over te leggen volgt uit artikel 5, vierde lid, in samenhang met bijlage II, punten 5 en 8 van de Transportverordening. Het overleggen van journaals kan worden gezien als het verstrekken van inlichtingen over feitelijke gegevens. Verweerder vraagt deze inlichtingen in het kader van toezicht. Van een verdenking als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM dan wel artikel 47 van Pro het Handvest is nog geen sprake. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de verplichting tot het overleggen van journaals in strijd is met het nemo tenetur beginsel.
in the view of the Commission services the journey time for the transport of bovine animals should not exceed 31 hours. The rules on journey times set out in Point 1 of Chapter V of annex I to Regulation (EC) No 1/2005 need to be interpreted in the context of Article 3 point (a) of the Regulation, according to which all necessary arrangements must have been made in advance to minimise the length of the journey and meet animals’ needs during the journey. Point 1.4 of Chapter V of Annex I to the Regulation provides for the maximum journey times for different species.
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Daarbij verdient opmerking dat laatstbedoelde criteria - die zijn ontwikkeld in HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378 en die naar het geval dat in die zaak aan de orde was, plegen te worden aangeduid als ‘ijzerdraadcriteria’ - weliswaar zijn ontwikkeld met het oog op het functionele daderschap van een natuurlijke persoon (dus met het oog op de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon voor een gedraging van een andere natuurlijke persoon), maar dat zij in voorkomende gevallen tevens kunnen fungeren als maatstaven voor de toerekening van een gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon (vgl. HR 14 januari 1992, NJ 1992,413).