ABN Amro Bank vordert betaling van €30.000 van [gedaagde 1] op grond van een borgtochtovereenkomst uit 2007, nadat de hoofdschuldenaar, [bedrijf 1], failliet is verklaard en de kredietfaciliteiten zijn opgezegd. [gedaagde 1] en diens echtgenote ([gedaagde 2]) voeren verweer, waaronder betwisting van toezeggingen over het niet aanspreken van de borg en schending van de zorgplicht door de bank jegens de borg en diens echtgenote.
De rechtbank verklaart een eis in reconventie wegens dwaling niet-ontvankelijk omdat deze niet tijdig is ingesteld. De stellingen van de borg dat er toezeggingen zijn gedaan dat hij niet zou worden aangesproken, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gemotiveerde betwisting door ABN Amro. Ook wordt geoordeeld dat de bank geen zorgplicht heeft ten opzichte van de echtgenote van de borg in het kader van toestemming voor borgtocht.
Verder wordt het verweer dat de bank eerst andere zekerheden moet uitwinnen voordat de borg kan worden aangesproken verworpen. De bank mag zelf de volgorde bepalen, mits zij rekening houdt met de belangen van de borg. De borg slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de bank haar zorgplicht heeft geschonden bij de uitwinning van het hypotheekrecht en de wederzijdse zekerhedenregeling.
De rechtbank wijst de vordering van ABN Amro toe en veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van €30.000 plus wettelijke rente, en [gedaagde 2] te gehengen en gedogen dat de vordering op de goederen van hun gemeenschap wordt verhaald. Tevens worden beslagkosten en proceskosten aan ABN Amro toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.