Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft de vraag of de legitieme portie waarop eiseres aanspraak maakt reeds opeisbaar is, nu de uiterste wilsbeschikking is opgesteld onder het oude erfrecht terwijl de nalatenschap openviel na de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2003.
Eiseres vordert betaling van haar legitieme portie, terwijl gedaagde sub 1 betwist dat deze direct opeisbaar is en wijst op de bescherming van de langstlevende echtgenoot onder het nieuwe erfrecht. De rechtbank overweegt dat het nieuwe erfrecht in beginsel directe werking heeft, maar dat de uiterste wil van de erflater bepalend is voor de toepassing van wettelijke verdeling.
De uiterste wil van de erflater laat volgens de rechtbank zien dat hij geen belang hechtte aan het ongestoord voortleven van de langstlevende echtgenoot, aangezien hij bepaalde dat direct afgerekend moest worden. Hierdoor is de legitieme portie direct opeisbaar. De rechtbank wijst de vordering tot bevestiging van de boedelbeschrijving af wegens gebrek aan belang, veroordeelt gedaagden tot betaling van de legitieme portie met wettelijke rente vanaf de dagvaarding en compenseert de proceskosten tussen partijen.
Uitkomst: De legitieme portie is direct opeisbaar en gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €20.349,- met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.