Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2013:8511

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 september 2013
Publicatiedatum
31 oktober 2013
Zaaknummer
431120 / HA RK 13-770
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 513 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter wegens vermeende vooringenomenheid

In deze strafzaak diende de raadsman van de verdachte een verzoek tot wraking in tegen politierechter mr. P. Putters, naar aanleiding van twee opmerkingen die de rechter tijdens de zitting maakte. De eerste opmerking betrof een indruk dat uit de groep van de verdachte iets geroepen zou zijn waarna de situatie escaleerde. De tweede opmerking betrof verbazing over de betrokkenheid van de verdachte bij een vechtpartij.

De wrakingskamer behandelde het verzoek tijdens een openbare zitting waarbij ook de officier van justitie aanwezig was. De raadsman baseerde het verzoek op de stelling dat de tweede opmerking zou impliceren dat het beroep op noodweer faalde. De rechter stelde echter dat deze opmerking niet in relatie stond tot het noodweerberoep, maar onderdeel was van het onderzoek naar persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De wrakingskamer oordeelde dat er geen sprake was van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De opmerkingen van de politierechter waren niet relevant voor de tenlastelegging en konden niet worden opgevat als een vooringenomen houding. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen politierechter mr. P. Putters is afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Wrakingskamer
zaaknummer / rolnummer: 431120 HA RK 13-770
Beslissing van 5 september 2013
op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak met parketnummer 10.221596.11 van
[naam verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
raadsman mr. S. Arts, advocaat te Breda.
Het verzoek strekt tot wraking van
mr. P. Putters,
(politie-) rechter in de sector strafrecht van deze rechtbank.

1.Het procesverloop

1.1.
Ter terechtzitting van de politierechter van 30 juli 2013 heeft de raadsman van verdachte mondeling verzoek gedaan tot wraking van mr. Putters. Hierop heeft
mr. Putters proces-verbaal van het wrakingsverzoek opgemaakt en het onderzoek ter terechtzitting geschorst om het verzoek tot wraking door een meervoudige kamer van de rechtbank te laten behandelen.
1.2.
Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 22 augustus 2013, alwaar zijn verschenen en gehoord:
- mr. S. Arts
- mr. P. Putters
- mr. L.C. Visser (de officier van justitie).
1.3.
Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter zitting van 5 september 2013 om 13.00 uur.

2.Het verzoek

2.1.
De raadsman van verdachte heeft blijkens het voormelde proces-verbaal aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd:

Desgevraagd laat de raadsman weten het wrakingsverzoek te baseren op de door politierechter gemaakte opmerkingen: ‘ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er uit uw groep iets geroepen is, waarna de situatie is geëscaleerd’ en ‘het verbaast mij dat u bij een vechtpartij betrokken bent geraakt.’
Ter zitting van de wrakingskamer heeft hij het verzoek toegelicht.

3.Het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht

3.1.
Mr. Putters heeft niet in de wraking berust. Hij heeft een schriftelijke toelichting gegeven. Ter zitting heeft hij zijn standpunt nader mondeling toegelicht.

4.Het standpunt van de officier van justitie

4.1.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking en daartoe aangevoerd dat niet voldaan is aan de voorwaarde zoals geformuleerd in de jurisprudentie, dat sprake moet zijn van een zwaarwegende aanwijzing dat de rechter vooringenomen is.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van het bepaalde in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid van dat artikel moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.
5.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
5.3.
Het wrakingsverzoek richt zich op de twee voormelde opmerkingen, gedaan door mr. Putters ter zitting.
De eerste opmerking (“
ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er uit uw groep iets geroepen is, waarna de situatie is geëscaleerd”) kan niet leiden tot gegrondverklaring van het verzoek. Deze opmerking heeft immers geen betrekking op hetgeen verdachte ten laste is gelegd.
Over de tweede opmerking (“
het verbaast mij dat u bij een vechtpartij betrokken bent geraakt”) wordt als volgt geoordeeld. Gelet op de door de raadsman van verzoeker ter zitting gegeven toelichting op het wrakingsverzoek wordt door deze een verband gelegd tussen de opmerking van mr. Putters en het beroep van de verdachte op noodweer. Volgens deze toelichting zou met het plaatsen van deze opmerking ter zitting al kenbaar zijn gemaakt dat het beroep op noodweer faalt. Dit verband wordt naar het oordeel van de wrakingskamer ten onrechte gelegd, althans kan niet uit de stukken worden afgeleid. Uit het proces-verbaal blijkt immers dat deze opmerking, anders dan mr. Arts suggereert, niet is gemaakt naar aanleiding van het beroep op noodweer noch in aansluiting daarop, maar in het kader van het onderzoek door mr. Putters ter zitting naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke omstandigheden in een strafrechtelijke procedure al dan niet aanleiding kunnen geven tot strafvermindering in geval van een schuldigverklaring. Het uitspreken van verbazing dient in een dergelijke context veeleer beschouwd te worden als een uitnodiging/vraag aan de verdachte om naar te voren te brengen al die persoonlijke omstandigheden die volgens de verdachte een voor hem gunstige werking kunnen hebben op de strafmaat, zo het tot een veroordeling zou komen.
5.4.
Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking ongegrond is en afgewezen dient te worden.

6.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking van mr. P. Putters af.
Deze beslissing is genomen door mrs. R.R. Roukema, M.G.L. de Vette en J.A.M.J. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.