ECLI:NL:RBROT:2013:8603
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing schuldhulpverlening wegens onvoldoende onderzoek en onduidelijke vorderingen
Eiseres vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam schuldhulpverlening aan, maar haar aanvraag werd op 9 oktober 2012 afgewezen vanwege onduidelijkheid over vorderingen van de Belastingdienst en een kinderopvanginstelling, en een te onzekere inkomenspositie. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd ongegrond verklaard, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing onjuist was omdat de vermeende schuld aan de kinderopvanginstelling niet aannemelijk was; de Belastingdienst had de bedragen rechtstreeks aan de instelling betaald en de kinderopvanginstelling was opgeheven. Daarnaast was het onvoldoende zorgvuldig dat het college niet nader onderzoek had gedaan naar de betwiste schuld aan de Belastingdienst, terwijl dit een groot deel van de schuldenlast betrof.
Ook was de motivering dat de inkomenssituatie onzeker zou zijn feitelijk onjuist; de situatie was helder maar er was sprake van een zeer gering leefgeld door verrekening van toeslagen. De rechtbank stelde dat het college eerst contact had moeten zoeken met de Belastingdienst om mogelijkheden van een aflossingsregeling te onderzoeken.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van schuldhulpverlening wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.