ECLI:NL:RBROT:2013:8793

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 november 2013
Publicatiedatum
7 november 2013
Zaaknummer
C/10/437497 / KG ZA 13/1214
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating van kinderen tot islamitische overbruggingsschool na faillissement Ibn Ghaldounschool

In deze zaak vorderen ouders in kort geding dat hun drie kinderen toegang krijgen tot De Opperd, een islamitische overbruggingsschool die is opgericht na het faillissement van de Ibn Ghaldounschool. De oudste van de drie kinderen is verdachte in een examenfraudezaak, terwijl de jongere twee kinderen dat niet zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat toelating van de jongste twee kinderen tot spanningen binnen De Opperd zal leiden, mede omdat zij op een andere nevenvestiging geplaatst zullen worden dan het oudste kind. Daarom is het besluit van CVO om deze twee kinderen niet toe te laten onredelijk en wordt hun toelating bevolen.

Voor het oudste kind geldt dat haar toelating wel tot spanningen zal leiden, omdat zij verdachte is in de fraudezaak en door medeleerlingen verantwoordelijk wordt gehouden voor het faillissement van de Ibn Ghaldounschool. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat CVO in redelijkheid tot weigering heeft kunnen besluiten. De vordering voor het oudste kind wordt afgewezen.

De voorzieningenrechter compenseert de proceskosten en legt een dwangsom op voor het geval CVO niet aan het bevel tot toelating van de jongste twee kinderen voldoet.

Uitkomst: Toelating van twee kinderen tot De Opperd bevolen, weigering toelating oudste kind gehandhaafd vanwege examenfraudeverdachtigheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/437497 / KG ZA 13-1214
Vonnis in kort geding van 8 november 2013
in de zaak van

1.[Eiser 1],

2.
[Eiser 2],
beiden en te samen als ieder afzonderlijk, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van
[kind 1]
[kind 2]
[kind 3]
allen wonende te Rotterdam,
eisers,
advocaat mr. V.M. Weski,
tegen
1. de vereniging
VERENIGING CHRISTELIJK VOORTGEZET ONDERWIJS ROTTERDAM EN OMSTREKEN,
gevestigd te Rotterdam,
2. de vereniging
FEDERATIE VAN ONDERWIJSKOEPELORGANISATIES EN OPENBAAR ONDERWIJS,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden,
advocaten mrs. F.P. van Galen en D.J.G. Timmermans.
Partijen zullen hierna ook [eisers cs], CVO (gedaagde sub 1) en FOKOR (gedaagde sub 2) genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding d.d. 1 november 2013 met producties
  • de brieven d.d. 5 november 2013 zijdens [eisers cs] met producties
  • de mondelinge behandeling d.d. 5 november 2013
  • de pleitnota van mr. Weski
  • de pleitnota van mrs. Van Galen en Timmermans.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
In mei en juni 2013 heeft op de Ibn Ghaldounschool examenfraude plaatsgevonden. Strafrechtelijk onderzoek is nog gaande.
2.2.
In een rapport van 9 augustus 2013 heeft de Onderwijsinspectie geoordeeld dat de kwaliteit van het onderwijs op de Ibn Ghaldounschool onvoldoende is. Naar aanleiding van dit rapport heeft de staatssecretaris bij brief van 10 september 2013 haar voornemen kenbaar gemaakt om de bekostiging van de Ibn Ghaldounschool per 1 november 2013 te beëindigen.
2.3.
Op 8 oktober 2013 is de Ibn Ghaldounschool failliet verklaard.
2.4.
CVO en FOKOR hebben vorm gegeven aan een “overbruggingsschool” met islamitische oriëntatie, De Opperd.
2.5.
Bij brieven van 23 oktober 2013 heeft de heer [betrokkene 1](hierna: [betrokkene 1]), namens FOKOR (een vereniging van Rotterdamse schoolbesturen), aan [eisers cs] meegedeeld dat de kinderen [kind 1] (5e klas Havo), [kind 2] (3e klas VMBO) en [kind 3] (1e klas VMBO) zijn geplaatst op De Opperd. [kind 1] is geplaatst op de nevenvestiging Schere en [kind 2] en [kind 3] op de nevenvestiging Putsebocht.
2.6.
Bij brieven van 25 oktober 2013 heeft [betrokkene 1], namens FOKOR, aan [eisers cs] meegedeeld dat niet wordt overgegaan tot plaatsing van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. De in de brieven opgegeven reden hiervoor is dat getwijfeld wordt aan de mate waarin [eisers cs] de grondslag van De Opperd onderschrijft.

3.Het geschil

3.1.
[eisers cs] vordert - samengevat - gedaagden te bevelen om vanaf 1 november 2013, althans vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, [kind 1], [kind 2] en [kind 3] toegang te verlenen tot De Opperd (ten aanzien van eiseres sub 1 locatie Schere en ten aanzien van eisers sub b en c locatie Putsebocht) en hen daar onderwijs te laten volgen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per kind per dag, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.
3.2.
Gedaagden voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De stelling van gedaagden dat FOKOR als natuurlijke overlegpartner is betrokken bij de totstandkoming van het besluit om [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet toe te laten tot De Opperd, maar dat zij op de inhoud van dat besluit niet kan worden aangesproken, is door [eisers cs] niet betwist, zodat deze stelling vaststaat. Dit brengt mee dat de vordering jegens FOKOR zal worden afgewezen. [eisers cs] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu niet is gebleken welke afzonderlijke kosten FOKOR heeft moeten maken, zullen de proceskosten worden begroot op nihil.
4.2.
In deze procedure moet worden beoordeeld of CVO is gehouden om [kind 1], [kind 2] en [kind 3] toe te laten tot De Opperd.
4.3.
Bij deze beoordeling staat voorop dat CVO beslist over de toelating van leerlingen en dat zij, als bijzondere onderwijsinstelling, bij haar toelatingsbeleid een zekere mate van beleidsvrijheid heeft. Deze vrijheid vindt haar grens daar waar geoordeeld moet worden dat CVO niet in redelijkheid tot het gevoerde beleid heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de beslissing om [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet toe te laten tot De Opperd is enerzijds de aanleiding voor deze beslissing en het aandeel van [eisers cs], althans de kinderen, daarin van belang en anderzijds de gevolgen van het een en ander voor alle betrokkenen. Bovendien moeten daarbij de betrokken belangen van zowel [eisers cs] als De Opperd en haar overige leerlingen worden gewogen.
4.4.
Ter zitting heeft CVO aangevoerd dat de reden waarom [kind 1], [kind 2] en [kind 3] niet zijn geplaatst, is dat hun oudere zus (van wie ter zitting bleek dat zij inmiddels volwassenenonderwijs volgt) hoofdverdachte is in de examenfraudezaak die speelde op de Ibn Ghaldounschool. Zij wordt ervan verdacht de examens te hebben ontvreemd, gekopieerd en verspreid. [kind 1] is eveneens verdachte in deze zaak. Volgens CVO leidt het toelaten van de kinderen van [eisers cs] tot zeer grote spanningen binnen De Opperd, hetgeen onverantwoord en onwenselijk is.
4.5.
Wat [kind 2] en [kind 3] betreft is niet aannemelijk geworden dat toelaten van deze kinderen tot De Opperd tot spanningen binnen de school zal leiden. Zij zijn geen verdachten in de examenfraudezaak, zij zitten - anders dan [kind 1] - op het VMBO en zullen, wanneer zij alsnog worden toegelaten tot De Opperd, worden geplaatst op een andere nevenvestiging dan [kind 1]. Naar voorshands oordeel heeft CVO dan ook niet in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen om [kind 2] en [kind 3] niet tot te laten tot De Opperd.
Een belangenafweging maakt dit niet anders. Gelet op het voorgaande heeft CVO geen, althans onvoldoende belang om [kind 2] en [kind 3] niet toe te laten. Daartegenover staat het zwaarwegende belang van [kind 2] en [kind 3] om hun onderwijs voort te zetten op De Opperd, in een vertrouwde omgeving, met vertrouwde klasgenootjes en vertrouwde docenten. Ten aanzien van [kind 2] en [kind 3] zal de vordering dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te noemen.
4.6.
Wat [kind 1] betreft geldt dat voldoende aannemelijk is geworden dat haar toelating tot De Opperd tot spanningen binnen de school zal leiden. [kind 1] is immers zelf verdachte van de examenfraude in mei en juni 2013 op de Ibn Ghaldounschool. Van het voormalige bestuur van de Ibn Ghaldounschool heeft CVO in het kader van een advies vernomen dat leerlingen (o.a.) [kind 1] verantwoordelijk houden voor de ondergang van de Ibn Ghaldounschool, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen “verdacht” of “schuldig”. Ook in gesprekken van CVO met FOKOR en met andere mensen uit het onderwijs is de examenfraude aan de orde geweest en is het advies gegeven dat het voor [kind 1] beter is wanneer zij zich op een andere school inschrijft. Tegen deze achtergrond is de blote betwisting dat van pesten of verwijten sprake is, onvoldoende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft CVO dan ook in redelijkheid tot het genomen besluit kunnen komen om [kind 1] niet toe te laten tot De Opperd.
Een belangenafweging maakt dit niet anders. Het belang van CVO om een veilige, vertrouwde omgeving te bieden, gevrijwaard van erfenissen uit het verleden, weegt zwaarder dan het belang van [kind 1] om haar opleiding af te maken op De Opperd. [kind 1] kan terecht op het Thorbecke college, waar zij geplaatst zal worden in een klas op haar niveau. [kind 1] is uitgenodigd voor een gesprek waarin aan de orde zal komen of dit HAVO 4 of HAVO 5 zal zijn. Naar verwachting zal [kind 1] op een nieuwe school niet, althans in mindere mate dan op De Opperd, achtervolgd worden door de gebeurtenissen op de Ibn Ghaldounschool.
4.7.
Dat [eisers cs] eerst brieven d.d. 23 oktober 2013 heeft gekregen met de mededeling dat de kinderen zijn geplaatst op De Opperd en dat hij vervolgens brieven d.d. 25 oktober 2013 heeft ontvangen waarin staat dat niet wordt overgegaan tot plaatsing van de kinderen en waarin bovendien een andere reden staat vermeld waarom de kinderen zijn geweigerd, is uiterst ongelukkig en valt te betreuren, maar aannemelijk is dat dit is gebeurd onder de door CVO geschetste grote tijdsdruk waarin een en ander heeft plaatsgevonden. Op 8 oktober 2013 is de Ibn Ghaldounschool immers failliet verklaard en rond die tijd hebben ook de inschrijvingen voor De Opperd plaatsgevonden. Daar komt bij dat de curator in het faillissement vervolgens alle inschrijfformulieren in beslag heeft genomen waardoor CVO geen inzage meer had in wie zich had aangemeld. In deze consternatie, waarbij De Opperd op 1 november 2013 van start moest gaan, is de standaardbrief uitgegaan als genoemd onder 2.6. In dit kort geding heeft CVO echter gemotiveerd uiteengezet wat de werkelijke reden is om niet tot plaatsing van [kind 1] over te gaan en bleek [eisers cs] zeer wel in staat om daartegen verweer te voeren. Aannemelijk is bovendien dat in de week voorafgaande aan dit kort geding hierover in het kader van de mogelijkheid om zich in te schrijven voor het Thorbecke college met [kind 1] is gesproken. De onder 4.2. genoemde beleidsvrijheid van CVO mede in achtnemend, kan het noemen van een andere reden in de brief van 25 oktober 2013 er niet toe leiden dat CVO gehouden is om [kind 1] toe te laten tot De Opperd.
4.8.
Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
ten aanzien van FOKOR:
5.1.
wijst de vordering af,
5.2.
veroordeelt [eisers cs] in de proceskosten, aan de zijde van FOKOR tot op heden begroot op nihil,
ten aanzien van CVO:
5.3.
beveelt CVO om met ingang van de eerste schooldag na betekening van dit vonnis [kind 2] en [kind 3] toe te laten tot De Opperd (locatie Putsebocht) en hen daar onderwijs te laten volgen,
5.4.
bepaalt dat CVO een dwangsom verbeurt van € 100,00 per kind, per dag dat zij niet aan voornoemd bevel voldoet, met een maximum van € 10.000,00,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2013.
615/2326