In deze zaak vorderen ouders in kort geding dat hun drie kinderen toegang krijgen tot De Opperd, een islamitische overbruggingsschool die is opgericht na het faillissement van de Ibn Ghaldounschool. De oudste van de drie kinderen is verdachte in een examenfraudezaak, terwijl de jongere twee kinderen dat niet zijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het niet aannemelijk is dat toelating van de jongste twee kinderen tot spanningen binnen De Opperd zal leiden, mede omdat zij op een andere nevenvestiging geplaatst zullen worden dan het oudste kind. Daarom is het besluit van CVO om deze twee kinderen niet toe te laten onredelijk en wordt hun toelating bevolen.
Voor het oudste kind geldt dat haar toelating wel tot spanningen zal leiden, omdat zij verdachte is in de fraudezaak en door medeleerlingen verantwoordelijk wordt gehouden voor het faillissement van de Ibn Ghaldounschool. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat CVO in redelijkheid tot weigering heeft kunnen besluiten. De vordering voor het oudste kind wordt afgewezen.
De voorzieningenrechter compenseert de proceskosten en legt een dwangsom op voor het geval CVO niet aan het bevel tot toelating van de jongste twee kinderen voldoet.