De rechtbank Rotterdam heeft op 11 november 2013 verdachte veroordeeld voor het opzettelijk mishandelen van twee jonge kinderen die zij verzorgde en opvoedde. De mishandelingen vonden plaats in de periode van april 2008 tot september 2012 en bestonden uit slaan met harde voorwerpen en langdurig laten zitten op stenen, wat leidde tot lichamelijk letsel en pijn.
Verdachte voerde verweer met een beroep op haar culturele en religieuze achtergrond, waarin tuchtiging met harde hand gebruikelijk zou zijn, en op psychische overmacht door druk vanuit haar geloof en cultuur. De rechtbank verwierp deze verweren en stelde dat de rechten van de kinderen op bescherming tegen mishandeling zwaarder wegen dan de vrijheid van godsdienst en cultuur van verdachte.
De rechtbank motiveerde dat het handelen van verdachte niet vanuit opvoedkundig oogpunt verantwoord kon worden en dat sprake was van grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van de kinderen. De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder sociaal isolement en het ontbreken van eerdere veroordelingen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 120 uur, waarbij rekening werd gehouden met de tijd in voorlopige hechtenis. De taakstraf kan bij niet-naleving worden omgezet in 58 dagen vervangende hechtenis.