De stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam had een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor zes maanden. Tijdens de zitting op 6 november 2013 trok de stichting dit verzoek in, omdat zij geen aanleiding meer zag om de ondertoezichtstelling voort te zetten gezien de huidige situatie van de minderjarige.
De vader van de minderjarige verzocht mondeling tot verlenging van de ondertoezichtstelling, ook nadat het verzoek van de stichting was ingetrokken. De rechtbank oordeelde dat het mondelinge verzoek van de vader ter zitting als een schriftelijk verzoek kon worden aangemerkt en dat de vader tot de kring van gerechtigden behoort die een dergelijk verzoek kunnen indienen.
De rechtbank wees het verzoek van de stichting af, omdat de gronden voor verlenging volgens de stichting niet langer bestaan. Het verzoek van de vader tot verlenging werd echter toegewezen voor de duur van drie maanden, tot 15 februari 2014, met het oog op de lange voorgeschiedenis en het belang van contactherstel tussen vader en minderjarige.
De rechtbank bepaalde dat de raad voor de kinderbescherming wordt geïnformeerd en verzocht een rapportage te verstrekken ter voorbereiding op een nader te houden zitting. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er staat hoger beroep open.