ECLI:NL:RBROT:2013:BY9432
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- M.F.L.M. van der Grinten
- P.H. Veling
- W.J.J. Wetzels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen kinderrechter wegens ontbreken zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid
Op 4 januari 2013 vond een zitting plaats in een strafzaak waarbij de raadsvrouw van de verdachte een wrakingsverzoek indiende tegen de kinderrechter. De kern van het verzoek was dat de kinderrechter de moeder van de minderjarige verdachte een vraag stelde die betrekking had op de feiten, zonder haar als getuige te beëdigen en zonder haar te wijzen op haar verschoningsrecht. Daarnaast zou de kinderrechter zich negatief hebben uitgelaten over de proceshouding van de verdediging en de raadsvrouw niet in de gelegenheid hebben gesteld de wrakingsgronden toe te lichten.
Tijdens de zitting op 9 januari 2013 werden de standpunten van verzoeker, raadsvrouw, rechter en officier van justitie besproken. De rechter betwistte deels de feitelijke grondslagen en stelde dat er geen aanleiding was voor wraking. De officier van justitie concludeerde eveneens tot afwijzing van het verzoek wegens het ontbreken van een schijn van vooringenomenheid.
De wrakingskamer oordeelde dat hoewel de vraag van de kinderrechter door de raadsvrouw als feitelijke vraag werd opgevat, deze ook in het kader van persoonlijke omstandigheden kon worden gezien. Het feit dat de kinderrechter uiteindelijk afzag van het stellen van de vraag en de opmerking over het advies van de raadsvrouw niet als zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid kon worden aangemerkt. Het niet toestaan van het toelichten van wrakingsgronden was niet schadelijk voor verzoeker. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kinderrechter is afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.