ECLI:NL:RBROT:2013:BZ0314
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onverbindendheid van het Rotterdams blowverbod wegens duplicatie Opiumwet
De rechtbank Rotterdam behandelde een proefproces over het Rotterdams blowverbod, vastgelegd in artikel 3.3.4 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Rotterdam 2008. De verdachte werd beschuldigd van het openlijk gebruiken van softdrugs op een openbare plaats. De rechtbank onderzocht of deze APV-bepaling in strijd is met de Opiumwet, die een uitputtend verbod bevat op het aanwezig hebben van hennepproducten.
De rechtbank concludeerde dat het begrip 'gebruik' in de APV impliceert 'aanwezig hebben', en dat de APV-bepaling daarmee dezelfde gedraging strafbaar stelt als de Opiumwet. Omdat de Opiumwet een absoluut en uitputtend verbod bevat, is aanvulling door de gemeentelijke wetgever niet toegestaan, ongeacht het motief van de APV. Dit volgt ook uit eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De officier van justitie stelde dat de APV-bepaling een toelaatbare oneigenlijke aanvulling is vanwege het openbare orde belang, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De APV-bepaling werd daarom onverbindend verklaard. Gevolg hiervan is dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is en de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank wees tevens op het nationale gedoogbeleid dat niet strafrechtelijk optreedt tegen het aanwezig hebben van maximaal 5 gram hennep voor eigen gebruik, maar dit creëert geen ruimte voor gemeentelijke aanvulling. De uitspraak bevestigt dat lokale verordeningen niet mogen dupliceren wat de Opiumwet reeds uitputtend regelt.
Uitkomst: De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens onverbindendheid van het Rotterdams blowverbod.