ECLI:NL:RBROT:2013:BZ1727
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- De Jong
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid en toekenning vergoeding immateriële schade na sepot strafzaak
De verzoeker was kortdurend gedetineerd op verdenking van valsheid in geschrifte. De strafzaak werd geseponeerd zonder oplegging van straf of maatregel. De verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 89 Sv Pro om vergoeding van immateriële schade door vrijheidsbeneming. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend, omdat de termijn van drie maanden pas begon te lopen vanaf het moment dat de verzoeker redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van het sepotbesluit.
De rechtbank kende de verzoeker een vergoeding van €315 toe voor de immateriële schade van drie dagen verzekering. Daarnaast diende de verzoeker een afzonderlijk verzoek in op grond van artikel 591a Sv voor vergoeding van kosten juridische bijstand in verband met het artikel 89 Sv Pro-verzoek. Dit verzoek werd ruim vijf maanden na het einde van de zaak ingediend en werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank benadrukte dat het artikel 591a Sv-verzoek een zelfstandig verzoek is en niet kan worden gezien als een aanvulling op het artikel 89 Sv Pro-verzoek. De officier van justitie had ingestemd met toekenning van het artikel 89 Sv Pro-verzoek, maar betwistte de ontvankelijkheid van het artikel 591a Sv-verzoek. De rechtbank volgde dit standpunt en wees het verzoek af wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Verzoeker ontvangt vergoeding van €315 immateriële schade; verzoek kosten juridische bijstand wordt afgewezen wegens termijnoverschrijding.