ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2723

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C/10/413921 / HA ZA 12-1059
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht ondanks rekening-courantfaciliteit

Eisers hebben een civiele procedure aangespannen tegen Residence Waterweelde B.V. en voldeden het griffierecht te laat, ondanks een bestaande rekening-courantverhouding van het advocatenkantoor met de rechtbank. De rechtbank constateerde dat het griffierecht pas na de wettelijke termijn van vier weken was ontvangen, wat normaal leidt tot ontslag van de instantie van de gedaagde.

Eisers stelden dat het griffierecht abusievelijk niet via de rekening-courant was afgeschreven, mogelijk omdat de advocaat niet was aangemeld bij de financiële administratie van de rechtbank. De rechtbank onderzocht de regeling omtrent rekening-courant en concludeerde dat de regeling onduidelijk was over wie precies deelnemer is: de individuele advocaat of het advocatenkantoor.

Gezien deze onduidelijkheid en het belang van eisers bij toegang tot de rechter, besloot de rechtbank toepassing te geven aan de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv. Hierdoor werd ontslag van de instantie van de gedaagde afgewezen en werd de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank wijst ontslag van de instantie af en verwijst de zaak naar de rol voor conclusie van antwoord wegens toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/413921 / HA ZA 12-1059
Vonnis van 13 februari 2013 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te Dordrecht,
2. [eiser 2],
wonende te Dordrecht,
eisers,
advocaat mr. F.M.A. Potter,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RESIDENCE WATERWEELDE B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. H.M.G. van Lotringen.
Partijen zullen hierna [eisers] en Waterweelde genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding d.d. 23 november 2012;
- akte uitlating betaling griffierecht van [eisers].
1.2. Waterweelde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een antwoordakte te nemen.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De overwegingen
2.1. Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
2.2. Deze zaak diende voor het eerst op 5 december 2012. [eisers] diende er dus voor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien op de rekening van de rechtbank was bijgeschreven. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht pas op 17 januari 2013 is ontvangen. Dat is dus te laat.
2.3. Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv Pro laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.4. Bij akte heeft [eisers] gesteld dat het kantoor van zijn advocaat mr. Potter, Simmons & Simmons LLP, ten behoeve van de betalingen van griffierecht een rekening-courantverhouding met deze rechtbank heeft en dat het griffierecht kennelijk abusievelijk niet op deze rekening-courant is afgeschreven. [eisers] heeft het nummer van de rekening-courant zowel in de dagvaarding als in de bijgeleidende brief vermeld. Uit telefonische navraag bij de griffie is de advocaat van [eisers] gebleken dat in plaats van debitering op de rekening-courant een nota voor het verschuldigde griffierecht is verzonden. Deze nota heeft de advocaat echter niet bereikt – aldus nog steeds [eisers] Tegen deze achtergrond verzoekt [eisers] de rechtbank de dagvaarding inhoudelijk te behandelen.
2.5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat voor toepassing van de in artikel 127a lid 3 Rv bedoelde hardheidsclausule. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende.
2.6. Het fenomeen van een rekening-courantverhouding tussen rechtbanken en procesvertegenwoordigers of hun kantoren moet worden beschouwd als faciliteit die de rechterlijke organisatie aan deze procesdeelnemers biedt ten behoeve van een efficiënte betaling van verschuldigde griffierechten. Aan de verantwoordelijkheid van de desbetreffende procesvertegenwoordiger om tijdig het griffierecht te betalen doet deze faciliteit vanzelfsprekend niet af. Anderzijds mogen de desbetreffende procesdeelnemers er wel op vertrouwen dat, waar de rechterlijke organisatie zelf een faciliteit als deze in het leven roept, in voorkomend geval in overeenstemming hiermee wordt gehandeld.
2.7. Op de website van de rechterlijke organisatie www.rechtspraak.nl is de “Regeling rekening-courant griffierechten” van 28 november 2011 gepubliceerd. Deze regeling bevat klaarblijkelijk de spelregels die de rechterlijke organisatie heeft ontworpen om de in 2.6 bedoelde faciliteit in de praktijk toe te passen. Procesdeelnemers die van die faciliteit gebruik maken mogen er dus op vertrouwen dat in overeenstemming met die regeling wordt gehandeld.
2.8. Volgens artikel 1 onder Pro c van de regeling is “deelnemer”, kort gezegd, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een rekening-courantverhouding als hier bedoeld is aangegaan. Voorts is artikel 7 van Pro de regeling van belang, dat luidt als volgt:
“Het door een deelnemer of degenen voor wie hij als procesvertegenwoordiger optreedt, verschuldigde griffierecht wordt beschouwd als, onmiddellijk nadat dit recht verschuldigd is, te zijn betaald.”
2.9. Uit dit artikel 7 leidt Pro de rechtbank af dat met de daarin weergegeven voorziening (het griffierecht geldt als betaald zodra het is verschuldigd) kennelijk is gedoeld op de deelnemer in de zin van de regeling die tegelijk procesvertegenwoordiger is. Dat zou in dit concrete geval dus betekenen dat mr. Potter deelnemer in de zin van de regeling moet zijn, wil de voorziening van artikel 7 aan Pro de orde komen. Procesvertegenwoordiger is immers mr. Potter en niet Simmons & Simmons LLP. Deze bedoeling leidt de rechtbank, behalve uit de tekst van artikel 7, mede af uit de toelichting bij de regeling die eveneens op de website van de rechterlijke organisatie is gepubliceerd. Daaruit volgt dat kennelijk gewerkt wordt met “twee mogelijkheden: de zogenaamde kantoor-RC en de individuele RC” (waarbij met “RC” wordt gedoeld op de rekening-courant). De “individuele RC” is gekoppeld aan “een persoon” en in de
“primaire processystemen van de Rechtspraak worden slechts de individuele RC-nummers opgenomen en gehanteerd en niet de kantoornummers. De kantoornummers zijn alleen van belang voor het financiële systeem, met name voor het opmaken van het RC-maandoverzicht.”
In zoverre is dus op zichzelf niet relevant dat Simmons & Simmons LLP een rekening-courantverhouding met deze rechtbank heeft. Bepalend is slechts of mr. Potter een dergelijke verhouding heeft, en het bestaan daarvan is gesteld noch gebleken.
2.10. In redelijkheid kan echter niet gezegd worden dat de in 2.9 gegeven analyse van de inhoud van de geldende spelregels zonneklaar is. Met name de omstandigheid dat in artikel 1 sub c wordt Pro bepaald dat zowel rechtspersonen als natuurlijke personen “deelnemer” in de zin van de regeling kunnen zijn en dat vervolgens in artikel 7 zonder Pro nadere omschrijving van “deelnemer” wordt gesproken, terwijl voorts voor een juiste analyse de toelichting geraadpleegd moet worden, maakt dat in redelijkheid verwarring heeft kunnen ontstaan over de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de in artikel 7 van Pro de regeling opgenomen voorziening. Die verwarring is thans weliswaar opgehelderd, maar dit betekent wel dat in dit concrete geval aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule.
2.11. Al met al zal Waterweelde dus niet van de instantie worden ontslagen, omdat dit, gelet op het belang van [eisers] bij toegang tot de rechter, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.12. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. verwijst de zaak naar de rol van 27 maart 2013 voor conclusie van antwoord;
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2013.
1980/1729