ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2732
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens verjaring geldlening en geen stuiting door betalingen of afstand
De zaak betreft een vordering van een besloten vennootschap tegen een privépersoon tot betaling van een bedrag van €22.500,-- uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. De lening was vastgelegd in een schuldbekentenis uit 2003 met drie aflossingstermijnen in 2005 en 2006. De schuldenaar heeft geen van deze termijnen voldaan, waardoor de gehele hoofdsom vanaf 19 juli 2005 opeisbaar werd.
De rechtbank oordeelt dat de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen op 20 juli 2005 en op 20 juli 2010 is voltooid. Betalingen die de schuldenaar aan een derde heeft gedaan, zijn niet aan de schuldeiser toegerekend en stuiten de verjaring niet. Ook is onvoldoende gebleken dat de schuldenaar afstand heeft gedaan van het verjaringsrecht. Het beroep op verjaring is bovendien niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt de eiseres veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat de schuldbekentenis duidelijk maakt dat de schuldenaar en mede-oprichter hoofdelijk aansprakelijk zijn en dat de opeisbaarheid van de lening niet afhankelijk is van betaling door de vennootschap. De briefwisselingen en betalingsvoorstellen van de schuldenaar aan een derde zijn onvoldoende om de verjaring te stuiten of afstand te bewijzen.
Uitkomst: De vordering tot betaling van €22.500,-- wordt afgewezen wegens verjaring.