ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5645
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering vader wegens onrechtmatige daad jegens Bureau Jeugdzorg inzake ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een vordering van een vader die stelt dat Bureau Jeugdzorg onrechtmatig heeft gehandeld door zijn zoon onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen zonder adequaat onderzoek naar terugkeer en zonder rekening te houden met zijn wensen. De minderjarige is sinds 2004 onder toezicht gesteld en verblijft in een pleeggezin. De vader erkende het kind in 2006 en voerde meerdere procedures om terugplaatsing te bewerkstelligen.
De rechtbank analyseert uitvoerig de feiten, waaronder rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, kinderrechterlijke beschikkingen en adviezen van de Nationale Ombudsman. De stichting heeft volgens de rechtbank gehandeld binnen haar zorgplicht en wettelijke kaders, waarbij de belangen van het kind voorop stonden. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen of toerekenbaarheid jegens de vader.
De rechtbank oordeelt dat de stichting adequaat heeft gehandeld, de vader betrokken heeft bij de zorg waar mogelijk, en dat de verlengingen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gerechtvaardigd waren. De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen en de vader wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de vader af wegens het ontbreken van onrechtmatig handelen door Bureau Jeugdzorg.