ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6099
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Huurgeschil over buitengerechtelijke ontbinding en huurschade bij gemeubileerde woning
Partijen sloten op 13 januari 2012 een huurovereenkomst voor een gemeubileerde woning voor de duur van één jaar. De huurder zegde de overeenkomst buitengerechtelijk op per 1 juni 2012, na een politiebezoek aan de woning op verzoek van de verhuurder. De verhuurder vorderde betaling van huurpenningen tot het einde van de overeenkomst en schadevergoeding voor aangebrachte veranderingen.
De huurder stelde dat de buitengerechtelijke ontbinding gerechtvaardigd was vanwege aantasting van het huurgenot door het politiebezoek, dat zonder zijn aanwezigheid en zonder concrete aanwijzingen plaatsvond. De rechtbank oordeelde dat de verhuurder onvoldoende contact had gezocht en dat het inschakelen van de politie voorbarig was. Er was geen sprake van een aan de verhuurder toe te rekenen omstandigheid die het huurgenot wezenlijk beperkte.
De kantonrechter stelde vast dat de huurovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd en dat de huurder geen recht had op buitengerechtelijke ontbinding. De huurder bleef daarom huur verschuldigd tot 13 januari 2013. Daarnaast werd vastgesteld dat de huurder zonder toestemming veranderingen had aangebracht, waaronder stucwerk, wat schade veroorzaakte. De verhuurder werd veroordeeld tot schadestaatprocedure. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd afgewezen. De vordering van de huurder tot terugbetaling van borg en schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Huurder is veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en schadevergoeding, buitengerechtelijke ontbinding wordt afgewezen.