ECLI:NL:RBROT:2013:BZ7117
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens niet-woongebruik en onderverhuur in strijd met goed huurderschap
De huurovereenkomst tussen eiseres en gedaagde betrof een portiekwoning met een onbepaalde tijdsduur. Gedaagde stond sinds 12 oktober 2005 niet meer ingeschreven op het adres en verbleef in 2012 enige tijd in detentie. Eiseres stelde dat gedaagde de woning niet als hoofdverblijf gebruikte en deze zonder toestemming aan derden in gebruik gaf, waaronder zijn zoon en een oom, wat in strijd is met de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden.
Gedaagde betwistte het ontbreken van hoofdverblijf en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, maar kon zijn stellingen onvoldoende onderbouwen. De rechtbank stelde vast dat gedaagde vanaf 12 oktober 2005 tot medio oktober 2012 de woning niet feitelijk als hoofdverblijf gebruikte. Het langdurige niet-gebruik en het niet adequaat nemen van verantwoordelijkheid voor de woning vormden een schending van artikel 7:213 BW Pro en de contractuele verplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat de algemene voorwaarden stilzwijgend waren aanvaard door gedaagde, die onvoldoende had betwist dat hij de brief met de voorwaarden had ontvangen. De gevorderde boete en kosten voor het onderzoek naar de tekortkomingen worden toegewezen, onder voorbehoud van bewijslevering. De ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning worden gerechtvaardigd geacht vanwege de kernverplichting die is geschonden, mede gelet op het sociale karakter van de woning.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens niet-gebruik als hoofdverblijf en ongeoorloofde onderverhuur, met toewijzing van boete en onderzoekskosten onder voorbehoud van bewijslevering.