ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8144
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing provisionele vordering tot vrije doorgang op grond van recht van uitweg
Eisers vorderen in een provisionele voorziening dat gedaagde hen vrije en ongehinderde doorgang verschaft over een strook grond van een meter breed, gelegen ten noorden van een perceel van gedaagde, om het recht van uitweg uit te oefenen. Dit recht van uitweg is gevestigd bij notariële akte van 7 augustus 1926. Gedaagde betwist het bestaan en de geldigheid van dit recht en stelt dat het recht is komen te vervallen door wijziging van de toegangssituatie en door een akte van 21 november 1941.
De rechtbank oordeelt dat het recht van uitweg voorshands aannemelijk is en niet is komen te vervallen. Het enkele feit dat het recht feitelijk niet meer wordt uitgeoefend of dat er een alternatieve toegang is, leidt niet tot het verval van het recht. De belangenafweging vindt plaats in het voordeel van eisers, mede omdat gedaagde geen zwaarwegende belangen heeft aangevoerd en de hoofdprocedure nog niet spoedig zal eindigen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde om eisers vrije doorgang te verschaffen over de betreffende strook grond, hetzij door het verstrekken van een sleutel voor de poort, hetzij door de poort niet af te sluiten. Tevens wordt een dwangsom opgelegd voor het geval gedaagde niet aan deze veroordeling voldoet. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld om eisers vrije en ongehinderde doorgang te verlenen over haar perceel op grond van het recht van uitweg uit 1926, met oplegging van een dwangsom.