ECLI:NL:RBROT:2013:BZ9234
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Bijl-de Jong
- Laukens
- De Jong
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vervolging medeplichtigheid aan diefstal met geweld en doodslag
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd verdacht van medeplichtigheid aan diefstal gevolgd door geweld, waarbij het slachtoffer overleed. De verdachte was tijdens een deel van de ten laste gelegde periode minderjarig. Er waren twee dagvaardingen uitgebracht: één voor meerderjarigheid en één voor minderjarigheid, met identieke tenlasteleggingen.
De rechtbank oordeelde dat het strafbare feit in de kern één verwijt betreft en niet gesplitst kan worden. Op grond van vaste jurisprudentie behoort de officier van justitie zich te onthouden van het uitbrengen van een tweede dagvaarding voor hetzelfde feit voordat op de eerste dagvaarding onherroepelijk is beslist. Omdat dit niet was nageleefd, werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging op de tweede dagvaarding.
De eerste dagvaarding leidde tot een einduitspraak waarin alle gedragingen, ook die van de minderjarige periode, zijn beoordeeld. De officier van justitie had gevorderd vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde, bewezenverklaring van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag, en oplegging van een jeugddetentie en een voorwaardelijke PIJ-maatregel.
De rechtbank bevestigde dat de verdachte preventief gedetineerd was in een justitiële jeugdinrichting en dat de strafrechtelijke behandeling van de minderjarige periode in de eerste dagvaarding was inbegrepen. De niet-ontvankelijkverklaring van de tweede dagvaarding beschermt de verdachte tegen dubbele vervolging voor hetzelfde feit.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging op de tweede dagvaarding wegens schending van het verbod op dubbele dagvaarding.