ECLI:NL:RBROT:2013:CA0426
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verschoningsrecht Officier van Justitie in civiele procedure
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of een Officier van Justitie zich kon beroepen op het verschoningsrecht ex artikel 165 lid 2 onder Pro b Rv. De getuige, werkzaam als Officier van Justitie, werd opgeroepen door een partij in een civiele zaak en stelde een beroep op geheimhouding van informatie verkregen in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek.
De rechtbank oordeelde dat op de getuige een geheimhoudingsplicht rust op grond van de Wet RO, maar dat dit niet automatisch een verschoningsrecht inhoudt. De wetgever heeft niet onmiskenbaar duidelijk gemaakt dat een dergelijke plicht een verschoningsrecht impliceert, waardoor een belangenafweging noodzakelijk is.
De belangenafweging leidde tot afwijzing van het beroep op het verschoningsrecht, omdat het maatschappelijk belang bij waarheidsvinding in rechte zwaarder weegt dan het belang bij geheimhouding. Tevens werd meegewogen dat het rechtshulpverzoek geen bijzondere beperkende voorwaarden bevatte en dat het recht van de partij om tegenbewijs te leveren in de civiele procedure beschermd moet worden.
De rechtbank bepaalde dat de getuige zich moet onderwerpen aan ondervraging en dat de procedure voor het horen van getuigen wordt voortgezet. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid van appel tegen deze beslissing, waarbij de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst.
Uitkomst: Het beroep op het verschoningsrecht door de Officier van Justitie wordt afgewezen en zij moet worden gehoord als getuige.