ECLI:NL:RBROT:2013:CA1146
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Broek-Prins
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek getuigenverhoor na afwijzing rechter-commissaris in strafzaak jeugdige verdachte
In deze strafzaak tegen een jeugdige verdachte heeft de raadsvrouwe namens verdachte op 1 februari 2013 een verzoek ingediend bij de rechter-commissaris om drie getuigen te horen. De rc wees het verzoek voor twee getuigen af wegens onvoldoende motivatie, terwijl één getuige werd toegewezen. De raadsvrouwe bracht dit verzoek vervolgens onder bij de kinderrechter tijdens de terechtzitting van 26 april 2013.
De officier van justitie stelde dat het formeel correct zou zijn geweest om een bezwaarschrift in te dienen tegen de afwijzing van de rc, maar erkende dat het horen van de twee getuigen mogelijk van belang kon zijn voor de verdediging. De kinderrechter overwoog dat de Wet versterking positie rechter-commissaris van toepassing was en dat na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de fase van het vooronderzoek was afgesloten, waardoor het indienen van een bezwaarschrift niet meer mogelijk was.
De kinderrechter concludeerde dat de raadsvrouwe niet de keuzevrijheid had om zich zowel tot de rc als de rechtbank te wenden en dat het verzoek om de twee getuigen te horen beoordeeld moest worden aan de hand van het verdedigingsbeginsel. Gezien de omstandigheden en het belang van de getuigenverklaringen voor de verdediging, wees de kinderrechter het verzoek toe, schorste het onderzoek en stelde de stukken in handen van de rc om de getuigen te horen.
De uitspraak benadrukt het belang van het verdedigingsbeginsel en de procedurele regels rond de Wet versterking positie rechter-commissaris, waarbij na aanvang van de terechtzitting de mogelijkheid tot bezwaar tegen rc-beslissingen vervalt. Het vonnis werd uitgesproken door kinderrechter M.J. van den Broek-Prins op 8 mei 2013.
Uitkomst: Verzoek om twee getuigen alsnog te horen wordt toegewezen en onderzoek ter terechtzitting geschorst.