ECLI:NL:RBROT:2013:CA2733
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg vaststellingsovereenkomst en verbod gebruik handelsnaam na beëindiging franchiseovereenkomst
De Scheidingsmakelaar en gedaagde waren partijen bij een franchiseovereenkomst die in 2009 is beëindigd middels een vaststellingsovereenkomst. Deze overeenkomst bepaalde onder meer dat gedaagde geen gebruik meer mocht maken van de handelsnaam, merken, modellen en knowhow van De Scheidingsmakelaar en zich niet mocht profileren onder een naam die slaafs leek op die van De Scheidingsmakelaar.
Na beëindiging maakte gedaagde toch gebruik van de naam en knowhow, onder meer via haar eigen bedrijf en een vereniging die zij oprichtte. De Scheidingsmakelaar vorderde betaling van boetes en een verbod op het gebruik van haar intellectuele eigendomsrechten. Gedaagde betwistte dat zij in strijd had gehandeld en stelde dat de vaststellingsovereenkomst de franchiseovereenkomst volledig verving, waardoor het boetebeding niet meer van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat de vaststellingsovereenkomst inderdaad de franchiseovereenkomst geheel verving en dat alleen enkele specifieke verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst nog golden. Het boetebeding uit de franchiseovereenkomst was niet van toepassing. Wel was het gebruik van de handelsnaam, modellen en knowhow door gedaagde in strijd met de vaststellingsovereenkomst en de Handelsnaamwet, waardoor een verbod met dwangsom werd toegewezen.
De vorderingen van gedaagde tot schadevergoeding en verklaring voor recht dat het woord 'scheidingsmakelaar' vrij gebruikt mag worden, werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan belang. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde is verboden gebruik te maken van handelsnaam, modellen en knowhow van De Scheidingsmakelaar, boetebeding afgewezen, en veroordeeld in proceskosten.