ECLI:NL:RBROT:2013:CA2763

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
419108 / HA ZA 13-216
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127 lid 2 RvArt. 127 lid 3 RvArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij te late betaling griffierecht wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden advocaat

In deze civiele procedure vorderde eiseres betaling van griffierecht binnen de wettelijke termijn van vier weken na de eerste zittingsdag. De rechtbank constateerde dat het griffierecht twee dagen te laat was betaald. Volgens artikel 127 lid 2 Rv Pro leidt een te late betaling tot ontslag van de instantie, tenzij toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv.

De advocaat van eiseres had te maken met een ernstige persoonlijke situatie: het overlijden van een naast familielid, wat leidde tot afwezigheid en vertraging in de betaling. De rechtbank oordeelde dat dit een bijzondere omstandigheid vormde die rechtvaardigt af te wijken van de strikte wettelijke sanctie.

De rechtbank benadrukte dat de wettelijke betalingstermijn hard is en dat normale organisatorische problemen op advocatenkantoren geen grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Hier was echter sprake van een tragische samenloop van omstandigheden met een beperkte termijnoverschrijding.

Gezien het belang van toegang tot de rechter en het voorkomen van een disproportionele sanctie werd de ontslag van de instantie achterwege gelaten. De zaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling met conclusie van antwoord van gedaagden die inmiddels een advocaat hadden gesteld.

Uitkomst: De rechtbank past de hardheidsclausule toe en ontslaat gedaagden niet van de instantie ondanks de te late betaling van het griffierecht.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/419108 / HA ZA 13-216
Vonnis van 8 mei 2013
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ANESTHESIEGROEP ANESTHESIA AND INTENSIVE CARE SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. N. Köse-Albayrak,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLINIEK HOLYSTAETE M.Y. B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLINIEK HOLYSTAETE B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KLINIEK HOLYSTAETE COSMETISCH B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
YITZISRAH HOLDING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagden sub 1 tot en met 4: niet verschenen,
5. de stichting
STICHTING KLINIEK RIJNMOND HOLYSTAETE,
gevestigd te Vlaardingen,
6. de stichting
STICHTING KLINIEK RIJNMOND HOLYSTAETE HEELKUNDE,
gevestigd te Vlaardingen,
7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
COSMETISCH INSTITUUT RIJNMOND B.V.,
gevestigd te Vlaardingen,
gedaagden onder 5 tot en met 7: advocaat mr. M. Bonarius,
gedaagden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de akte van AIC.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De overwegingen
2.1. Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
2.2. Deze zaak diende voor het eerst op 20 februari 2013. AIC diende er dus voor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien op de rekening van de rechtbank was bijgeschreven. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht pas op 22 maart 2013 is ontvangen. Dat is twee dagen te laat.
2.3. Op grond van artikel 127 lid 2 Rv Pro ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan.
2.4. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv Pro laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.5. Bij akte heeft AIC het volgende aangevoerd. Vanaf begin februari 2013 is de advocaat van AIC geconfronteerd geweest met een zeer ernstige ziekte van een naast familielid, te weten de vader van haar echtgenoot en kantoorgenoot. Op 18 maart 2013 is dit familielid komen te overlijden. Als gevolg daarvan (“een wervelwind van emoties en regelwerk”) is de advocaat enkele dagen niet meer op kantoor geweest, onder meer in verband met het vertrek van haar echtgenoot met het lichaam van de overledene naar het land van herkomst en de zorg voor haar minderjarige kind. Bij terugkeer op kantoor, op 21 maart 2013, bleek haar dat de betaling van het griffierecht nog niet had plaatsgevonden, waarna onmiddellijk een betalingsopdracht is gegeven. Het griffierecht is aldus met een zeer beperkte termijnoverschrijding betaald. In deze omstandigheden bestaat aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule – aldus AIC.
2.6. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat voor toepassing van de in artikel 127a lid 3 Rv bedoelde hardheidsclausule. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende.
2.7. Voorop gesteld moet worden dat de wettelijke termijnen voor betaling van het griffierecht hard zijn. Dat is ook redelijk, nu de hier geldende betalingstermijn van vier weken ruimschoots voldoende moet worden geacht om aan de betalingsverplichting te voldoen. Dit betekent dat de enkele overschrijding van de termijn in beginsel reden vormt om toepassing te geven aan de in de wet opgenomen consequenties in geval van te late betaling, ook als die overschrijding zeer gering is. Ook moet worden voorop gesteld dat volgens vaste jurisprudentie te late betalingen die het gevolg zijn van problemen op het desbetreffende advocatenkantoor of onvoldoende deskundigheid van de advocaat geen grond kunnen vormen voor toepassing van de hardheidsclausule. Van de advocaat mag immers worden verwacht dat hij op de hoogte is van de wettelijke betalingsverplichtingen en voorts zijn kantoor zodanig te organiseren dat tijdige betaling plaatsvindt.
2.8. Deze uitgangspunten laten onverlet dat in zeer bijzondere omstandigheden aanleiding kan bestaan de hardheidsclausule toe te passen. In dat verband is van belang dat hier, anders dan in de praktijk veelal het geval blijkt, niet sprake is van de situatie waarin (iets) te laat is betaald omdat de advocaat er ten onrechte vanuit ging dat hij pas behoeft te betalen als hij een factuur heeft ontvangen. Ook doet zich hier niet de situatie voor dat de te late betaling het gevolg is van een tekort schietende interne organisatie op het kantoor van de advocaat of van een als normaal te beschouwen tijdelijke uitval wegens ziekte. De (iets) te late betaling is hier klaarblijkelijk het gevolg van een tragische samenloop van omstandigheden, namelijk het in korte tijd verslechteren van de gezondheidstoestand en het uiteindelijke overlijden van een naast familielid van zowel de advocaat zelf als haar echtgenoot/kantoorgenoot en de gevolgen die dat heeft gehad op het gezin van de advocaat. Voorts moet in dit verband in aanmerking worden genomen dat het hier gaat om een klein advocatenkantoor en dat de vertraging in de betaling zeer beperkt is geweest. Ook is van belang dat het verschuldigde griffierecht aanzienlijk is (inclusief het griffierecht voor het beslagrekest € 3.715,--), welk bedrag AIC tweemaal zou moeten betalen als gedaagden van de instantie worden ontslagen. Ten slotte wijst de rechtbank er op dat het nieuwe wettelijke stelsel ter zake de betaling van griffierechten niet bedoeld is procespartijen in gevallen als deze tweemaal te laten betalen, maar om de betaling van griffierechten bij aanvang van de procedure te verzekeren.
2.9. De hier weergegeven omstandigheden maken dat naar het oordeel van de rechtbank toepassing van artikel 127a lid 2 Rv een buitenproportionele sanctie is, die daarom leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Die onbillijkheid staat in verband met het belang van AIC bij toegang tot de rechter. Weliswaar kan AIC opnieuw een dagvaarding uitbrengen, maar de toegang tot de rechter is ook in het geding als een, gelet op de omvang van het verzuim, substantiële extra financiële drempel wordt opgeworpen. Dat doet zich hier voor. Gedaagden zullen dus niet van de instantie worden ontslagen.
2.10. Bij B-fomulier van 2 mei 2013 heeft de rechtbank bericht ontvangen van gedaagden onder 5, 6 en 7, inhoudende dat zich voor hen op de rol van heden alsnog een advocaat stelt. Om deze reden zal de zaak worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord aan de zijde van die gedaagden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. verwijst de zaak naar de rol van 19 juni 2013 voor conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagden onder 5, 6 en 7;
3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.?
1980/1729