ECLI:NL:RBROT:2013:CA3176
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering herroeping vonnis wegens bedrog en overschrijding termijn
De zaak betreft een vordering van eiser tot herroeping van het vonnis van 9 november 2005 van de rechtbank Rotterdam en schadevergoeding wegens vermeend bedrog door gedaagde. Eiser stelt dat gedaagde betalingsonwil heeft getoond en onrechtmatig een concurrerende onderneming heeft opgericht.
De rechtbank overweegt dat het begrip bedrog ruim moet worden uitgelegd, maar dat bedrog dat reeds tijdens de eerdere procedure bekend was, geen grond voor herroeping kan vormen. De stelling dat gedaagde een concurrerende onderneming oprichtte was al bekend tijdens de arbitrageprocedure en kan daarom niet tot herroeping leiden.
Ten aanzien van de betalingsonwil stelt de rechtbank dat eiser het rechtsmiddel van herroeping niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na ontdekking van het bedrog heeft ingesteld. De vermeende kennis over het bedrog was reeds vóór 9 maart 2011 bekend, terwijl de dagvaarding pas op 12 april 2012 werd uitgebracht, waardoor eiser niet-ontvankelijk is.
De vordering tot herroeping en schadevergoeding wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. De rechtbank acht geen reden voor een volledige kostenveroordeling en begroot de kosten op €1.397,00.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot herroeping en schadevergoeding af wegens overschrijding van de termijn en onvoldoende bewijs van bedrog.