Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[verdachte],
ote, te weten
Rechtbank Rotterdam
Op 20 februari 2014 heeft de verdachte te Rotterdam zijn echtgenote en kind opzettelijk mishandeld. De mishandelingen bestonden uit bijten, trekken aan de haren, slaan met een hard voorwerp tegen het hoofd en het lichaam, en het hoofd van het kind tegen de grond bonken. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte de agressor was en dat het letsel en de verklaringen van de slachtoffers dit ondersteunen.
De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat de verdachte zich moest verdedigen tegen aanvallen met een stok door zijn vrouw en dochter. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen omdat de verklaringen van de aangeefsters consistent zijn en de verdachte als initiator van het geweld wordt gezien. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval die verdediging rechtvaardigde.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het letsel van de slachtoffers, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten. De verdachte toonde geen inzicht in zijn handelen en had geen medewerking verleend aan een psychologisch onderzoek. Daarom werd een gevangenisstraf van 34 dagen opgelegd, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een taakstraf van 100 uur. Vervangende hechtenis bij niet-naleving is gesteld op 50 dagen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 34 dagen gevangenisstraf waarvan 30 voorwaardelijk en 100 uur taakstraf wegens mishandeling van echtgenote en kind; beroep op noodweer verworpen.