Eiseres ontving een WW-uitkering en diende haar gewerkte uren door te geven aan het UWV. Verweerder stelde vast dat eiseres minder uren had opgegeven dan volgens de werkgeversgegevens correct was en legde boetes op wegens schending van de inlichtingenplicht over de jaren 2012 en 2013.
De rechtbank oordeelde dat eiseres haar inlichtingenplicht had geschonden, maar dat er geen sprake was van opzet of grove schuld. Gezien de ernst van de overtreding en de omstandigheden matigde de rechtbank de boete over 2013 tot 50% van het benadelingsbedrag. De boete over 2012 werd in stand gelaten.
Het beroep van eiseres werd gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit voor zover het de boete over 2013 betrof vernietigd en de boete vastgesteld op €301,15. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.