ECLI:NL:RBROT:2014:10799
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens bekende feiten
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de bewindvoerder om de schuldsaneringsregeling (WSNP) van de schuldenaar tussentijds te beëindigen. De bewindvoerder stelde dat de vordering van de echtgenote van de schuldenaar op oneigenlijke gronden was opgevoerd, waardoor andere schuldeisers werden benadeeld. Tevens werd aangevoerd dat de schuldenaar de rechtbank ten tijde van toelating niet volledig had geïnformeerd over deze vordering.
De rechtbank oordeelde dat de feiten en omstandigheden waarop het verzoek was gebaseerd, waaronder eerdere procedures en vorderingen van de echtgenote, reeds bij de toelating tot de WSNP bekend waren. Ondanks dat deze feiten thans als dubieus werden gezien, stonden zij destijds niet aan toelating in de weg. Ook was er geen sprake van een later gebleken weigeringsgrond.
Daarom werd het verzoek tot tussentijdse beëindiging afgewezen. Tevens wees de rechtbank het verzoek af om de vordering van de vennootschap buiten de werking van de schone lei te houden, aangezien dit niet aan de orde was in deze procedure. De rechtbank benadrukte dat de schone lei niet van toepassing is op vorderingen voortvloeiend uit een definitieve strafrechtelijke veroordeling.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters en is openbaar. Tegen dit vonnis kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld door een bevoegde partij via een advocaat.
Uitkomst: Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.