ECLI:NL:RBROT:2014:10938
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing telefoontap in ontnemingsonderzoek na veroordeling
In deze zaak heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering tot het opnemen van telecommunicatie (telefoontap) in het kader van een ontnemingsonderzoek. Het ontnemingsonderzoek volgde op een onherroepelijke veroordeling van de veroordeelde voor drug- en wapen gerelateerde strafbare feiten.
De rechter-commissaris had de vordering afgewezen omdat hij oordeelde dat er geen sprake meer was van een verdenking en dat een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) niet viel onder het begrip opsporingsonderzoek zoals bedoeld in artikel 132a Sv. Ook achtte hij de bevoegdheid tot telefoontap niet toepasbaar binnen het SFO.
De rechtbank oordeelt anders en stelt dat het toetsingskader van artikel 126m Sv, dat een aparte regeling biedt voor het bevel tot het opnemen van telecommunicatie, ook geldt binnen het kader van een ontnemingsonderzoek met een SFO, ook na een veroordeling. De rechtbank benadrukt dat een SFO en een nader SFO onder het begrip opsporingsonderzoek vallen en dat een veroordeling als hoogste graad van verdenking kan worden aangemerkt.
Daarom vernietigt de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris en verklaart het hoger beroep gegrond, waardoor de vordering tot telefoontap opnieuw kan worden beoordeeld op basis van artikel 126m Sv.
Uitkomst: Het hoger beroep van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en de afwijzing van de vordering tot telefoontap wordt vernietigd.