Eiseres, die het sadhoe hindoeïsme aanhangt met specifieke eetvoorschriften, kreeg van verweerder een Wmo-indicatie voor 165 minuten huishoudelijke verzorging per week toegekend, terwijl zij eerder een indicatie van 410 minuten had. Zij stelde dat zij meer tijd nodig had, onder meer voor het bereiden van maaltijden die voldoen aan haar geloofsvoorschriften.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht niet de systematiek van het CIZ hoefde te volgen en dat de door eiseres verstrekte informatie op het spreekuur leidend was voor de beoordeling. Het betoog van eiseres over extra minuten vanwege incontinentie en beperkte handfunctie faalde omdat dit niet werd ondersteund door objectief bewijs.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een voorliggende voorziening is die de belemmeringen van eiseres kan opheffen, met name voor maaltijdvoorzieningen die aansluiten bij haar geloofsovertuiging. Het maken van onderscheid tussen haar geloof en andere, meer gangbare geloofsovertuigingen zoals halal of koosjer, is ongeoorloofd.
Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het aantal minuten huishoudelijke zorg betreft. De rechtbank stelde het aantal minuten vast op 375 per week. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.