Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
(…), hierna ook te noemen de ter beschikking gestelde,geboren te (…) op (…),
PROCEDURE
De termijn van de terbeschikkingstelling is aangevangen op 12 februari 1999.
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde op 10 februari 2014 de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling (tbs) met behoud van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging van een ter beschikking gestelde die veroordeeld was voor moord. De tbs-maatregel was in maart 2013 verlengd met een jaar en de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd.
Adviezen van Reclassering Nederland en psychiater D. van Dam, die de ter beschikking gestelde onderzocht had, werden betrokken. De reclassering adviseerde geen verlenging van de tbs-maatregel mits een BOPZ-maatregel volgt, anders wel verlenging voor een jaar. De psychiater adviseerde afwijzing van de verlengingsvordering, gezien de stabiliteit en het lage recidiverisico van de ter beschikking gestelde. Tijdens de openbare raadkamer werd geconcludeerd tot afwijzing van de vordering door alle partijen.
De rechtbank oordeelde dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen geen verlenging van de tbs-maatregel eist. De wettelijke wijziging van artikel 509t lid 2 Sv, die vereist dat de verpleging minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd moet zijn, is in deze situatie strijdig met artikel 5 EVRM Pro en artikel 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM. Daarom liet de rechtbank die laatste volzin buiten toepassing en wees de vordering af.
De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer, bestaande uit voorzitter Stemker Köster en rechters Dijkers en Engbers. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met behoud van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging af.