Op 9 januari 2013 werd het slachtoffer doodgeschoten aangetroffen in een Turkse vereniging te Rotterdam. Verdachte werd aangewezen als mogelijke dader, mede vanwege een motief van eerwraak door een buitenechtelijke relatie tussen het slachtoffer en de echtgenote van verdachte.
Forensisch onderzoek vond schotrestdeeltjes op kleding van verdachte, maar een groot deel betrof gemarkeerde munitie die niet overeenkomt met het gebruikte kaliber. Daarnaast was er geen direct bewijs dat verdachte het schot heeft gelost. Diverse getuigenverklaringen en camerabeelden bevestigden dat verdachte en slachtoffer samen waren, maar het exacte tijdstip van overlijden bleef onduidelijk.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte het slachtoffer heeft gedood. Alternatieve scenario's werden niet aannemelijk geacht, maar de twijfel bleef bestaan. Daarom werd verdachte vrijgesproken. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.