De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele zaak waarin een buitenlandse rechtspersoon ([eiseres]) de Nederlandse accountant ([gedaagde]) aansprakelijk stelde wegens fouten in de loonadministratie. De rechtbank stelde vast dat de accountant tekort was geschoten in haar zorgplicht door de opdrachtgever niet tijdig te informeren over de verplichting het wettelijk minimumloon, vakantietoeslag en betaalde vakantiedagen toe te passen.
De kern van het geschil betrof het causaal verband tussen deze tekortkoming en de door [eiseres] geleden schade. De rechtbank concludeerde dat [eiseres] de kostenstijging door gewijzigde wetgeving pas vanaf 1 augustus 2007 aan haar opdrachtgevers kon doorbelasten, terwijl dit zonder tekortkoming direct mogelijk was geweest. Daarnaast werd geoordeeld dat de accountant ten onrechte de heffingskorting toepaste op werknemers die niet verplicht verzekerd waren, wat eveneens een toerekenbare tekortkoming opleverde.
De rechtbank wees erop dat de hoogte van de schade nog nader moet worden vastgesteld in een schadestaatprocedure, waarbij partijen de mogelijkheid krijgen om tot overeenstemming te komen. De proceskosten werden gesplitst, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vordering tot verklaring voor recht werd afgewezen. Het vonnis werd uitgesproken door mr. F. Damsteegt-Molier op 26 februari 2014.