In deze zaak vordert de stichting [verzoekster] ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster], lid van de Raad van Bestuur, wegens het vervallen van haar functie door een herziening van de topstructuur. De arbeidsovereenkomst bevatte een contractuele schadevergoeding bij tussentijdse beëindiging, gebaseerd op de Beloningscode voor Bestuurders in de Zorg (BBZ) en de WNT.
[Verweerster] erkent het vervallen van haar functie, maar verzet zich tegen de ontbinding en vordert een hogere vergoeding dan de contractueel overeengekomen €130.000, onder meer op basis van de kantonrechtersformule en het Sociaal Plan. De kantonrechter stelt vast dat de WNT en BBZ van toepassing zijn en dat de overeengekomen vergoeding recent en bewust is vastgesteld, waarmee [verweerster] instemde.
De kantonrechter oordeelt dat de WNT-norm als uitgangspunt geldt en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die een hogere vergoeding rechtvaardigen. De ontbinding wordt vastgesteld per 1 augustus 2014, rekening houdend met de fictieve opzegtermijn. De vergoeding van €130.000 wordt toegekend en binnen drie weken na ontbinding betaald. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.