Eiser ontving tussen 29 november 2005 en 31 juli 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van anonieme meldingen startte de gemeente een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding met belanghebbende, wat zou leiden tot onrechtmatige bijstandsverlening.
Uit het onderzoek, waaronder huisbezoeken en verklaringen van buurtbewoners, concludeerde de gemeente dat eiser en belanghebbende samenwoonden en financiële verstrengeling bestond. Dit leidde tot herziening van de bijstand en terugvordering van ruim €31.000, waarbij eiser en belanghebbende hoofdelijk aansprakelijk werden gesteld.
Eiser betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat hij alleen zorg verleende aan belanghebbende zonder affectieve relatie. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde stukken onvoldoende bewijs bevatten voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Vakantiereizen en verklaringen waren onvoldoende concreet en het strafrechtelijke dossier ontbrak.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en gaf de gemeente gelegenheid het onderzoek voort te zetten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
De uitspraak laat ruimte voor nader onderzoek en een nieuwe motivering door de gemeente, waarbij het strafrechtelijke dossier mogelijk een rol kan spelen.