Eiseres ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke zorg dat door verweerder werd beëindigd en teruggevorderd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verweerder stelde dat eiseres en belanghebbende duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoonden, waardoor eiseres geen recht had op het pgb volgens de Verordening en het Protocol gebruikelijke zorg.
De rechtbank oordeelde dat voor de periode van 2 november 2009 tot en met 17 juni 2013 voldoende aannemelijk was gemaakt dat sprake was van duurzame gemeenschappelijke bewoning, waardoor het pgb terecht werd beëindigd. Voor de periode van 20 juli 2009 tot 2 november 2009 was er echter onvoldoende bewijs om dit standpunt te ondersteunen, wat in strijd was met het motiveringsbeginsel.
De rechtbank verwierp de stelling van eiseres dat het gebruik van de rapportage van het huisbezoek van 24 mei 2013 in strijd was met de procesorde. De procedure bood ruimte voor heroverweging en herstel van motiveringsgebreken. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit voor het gedeelte dat betrekking had op de periode van 20 juli 2009 tot 2 november 2009.
De rechtbank zag geen aanleiding tot een tussenuitspraak en gaf verweerder de gelegenheid het gebrek te herstellen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 27 maart 2014.