Eiser, een jongere met een psychiatrische aandoening en een licht verstandelijke beperking, ontving een bijstandsuitkering die door verweerder werd ingetrokken op grond van de scholingsplicht. Verweerder stelde dat eiser in staat was een opleiding te volgen met studiefinanciering en dat hij onvoldoende medewerking had verleend. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn mogelijkheden en dat zijn psychosociale problemen niet adequaat waren meegewogen.
De rechtbank overwoog dat de actieve rol die het college bij een aanvraag van bijstand moet vervullen, bij een intrekking van bijstand, als een belastend besluit, des te pregnanter geldt. Verweerder had niet voldoende aangetoond dat eiser in staat was regulier onderwijs te volgen en had onvoldoende rekening gehouden met de psychosociale problematiek van eiser. Het enkele toezenden van brieven was onvoldoende om te concluderen dat eiser geen medewerking wilde verlenen.
Daarom oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en de vereiste actieve rol van het bestuursorgaan. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.