Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verloop van de procedure
2.Vaststaande feiten
3.Het geschil en de standpunten van de partijen
- De stelling dat voor de rechtsverhouding tussen partijen slechts de huurovereenkomst d.d. 14 september 1982 van kracht zou zijn is onjuist. Partijen zijn nieuwe voorwaarden waaronder zij de huurovereenkomst willen voortzetten overeengekomen. Weliswaar is op enkele punten nog geen overeenstemming bereikt, zoals de in te vullen aanvangshuurprijs en ingangsdatum, maar wel is overeenstemming bereikt over artikel 4.4 waarin is opgenomen dat de gebruiksvergoeding bij onveranderd gebruik wordt vastgesteld door het college van B&W in een tarievennota sportaccommodaties.
- Verder kan er niet aan voorbijgegaan worden dat [eiseres] heeft ingestemd, althans geacht moet worden te hebben ingestemd, met de verhoging van de tarieven van 2013-2014. [eiseres] heeft expliciet ingestemd met het van toepassing geraken van het profijtbeginsel op de huurovereenkomst met het aanvaarden van de huurverhoging van 2011-2012.
- Overigens heeft [eiseres] bij een uitleg van de huurverhouding naar redelijkheid en billijkheid in het huidig tijdsgewricht het nieuwe tarievenbeleid te aanvaarden. Ook valt niet in te zien dat [eiseres] door zich te verzetten tegen het aangaan van nieuwe huurvoorwaarden de huurprijsverhoging kan tegenhouden, terwijl andere huurders van buitensportaccommodaties die huurprijsverhogingen wél –overeenkomstig het tarievenbeleid– moeten voldoen.
- Uiterst subsidiair stelt de Gemeente dat de vordering niet mag slagen, omdat er sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.