ECLI:NL:RBROT:2014:2544

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 maart 2014
Publicatiedatum
3 april 2014
Zaaknummer
C/11/444352 / FT EA 14/350
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 287b FwArt. 288 lid 2 sub d FwArt. 305 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek moratorium en toelating schuldsanering wegens schade aan woning en eerdere schuldsanering

Verzoekster diende een verzoek in tot het verkrijgen van een moratorium ex artikel 287b Faillissementswet en toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het moratorium zou verzoekster beschermen tegen ontruiming van haar woning, zodat zij een minnelijke schuldregeling kon nastreven.

Verweerster, de verhuurder, verzette zich tegen het moratorium omdat het ontruimingsvonnis van 31 december 2013 niet alleen gebaseerd was op huurachterstand, maar ook op het niet als goed huurder gedragen van verzoekster, waardoor schade aan de woning was ontstaan. Tevens was verzoekster eerder toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, waardoor op grond van artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro geen nieuwe toelating mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat een moratorium slechts kan worden verleend indien het ontruimingsvonnis uitsluitend op huurachterstand is gebaseerd. Nu dat niet het geval was, werd het verzoek afgewezen. Ook het verzoek tot toelating tot de schuldsanering werd afgewezen vanwege de eerdere toepassing van deze regeling op verzoekster.

De beslissing werd genomen door rechter C. van Steenderen-Koornneef en griffier A. Mergen en op 4 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om moratorium en toelating tot schuldsanering wordt afgewezen vanwege wanprestatie en eerdere schuldsanering.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
verzoek moratorium en verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling
rekestnummers: C/11/444352 / FT EA 14/350
C/11/442812 / FT EA 14/156
uitspraakdatum: 4 maart 2014
[verzoekster],
wonende te [adres]
,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 7 februari 2014, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 10 februari 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 februari 2014 te 13:30 uur.
Ter zitting van 26 februari 2014 zijn verschenen en gehoord:
- [verzoekster] verzoekster;
- De heer G.J. van Rossen, in zijn hoedanigheid van schuldhulpverlener bij Modus Vivendi (hierna: SHV);
  • Mevrouw [naam], werkzaam bij Stichting HW Wonen (hierna: verweerster);
  • Mr. K.A.M. Jaspers, advocaat van verweerster, kantoorhoudende te Rotterdam.
Mr. Jaspers heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift met producties toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerst lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en de stichting HW Wonen, gevestigd te Oud-Beijerland, te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 31 december 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Om te onderzoeken of een minnelijke schuldregeling tot stand kan komen is het van groot belang dat verzoekster niet wordt ontruimd.

3.Het verweer

Verweerster verzet zich tegen toewijzing van het gevraagde moratorium. Zij voert daartoe het volgende aan.
Omdat ten aanzien van verzoekster minder dan tien jaar voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, is op grond van artikel 288, tweede lid, onder d, Fw geen zicht op toelating tot de wettelijke schuldsanering, derhalve dient ook het gevraagde moratorium te worden afgewezen.
Voorts dient het gevraagde moratorium te worden afgewezen op grond van het feit dat het ontruimingsvonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 31 december 2013 naast de tekortkoming in de nakoming van de financiële verplichting mede gegrond is op het feit dat verzoekster zich niet als een goed huurder heeft gedragen waardoor schade aan de woning is ontstaan.
Daarnaast heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 11 februari 2014 bepaald dat verzoekster niet opnieuw hoeft te worden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. Verzoekster zal derhalve afgesloten blijven van energie en de woning niet kunnen verwarmen en schoonmaken. Zij zal daarom doorgaan met de door haar gehanteerde, brandgevaarlijke, wijze van verwarmen door de gaspitten te laten branden. Hierdoor zal de schade aan de woning alleen maar verder oplopen en blijft het risico op brand aanwezig. Derhalve heeft verweerster belang bij de ontruiming van de woning van verzoekster

4.De beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening ex artikel 287b, eerste lid, Fw niet behoeft te worden afgewezen omdat verzoekster op grond van artikel 288, tweede lid, onder d, Fw niet tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten. De voorziening is er namelijk juist op gericht om een adempauze te creëren die verzoekster in staat moet stellen het minnelijk traject voort te zetten om met haar schuldeisers een regeling voor haar schulden te bereiken c.q. af te ronden dan wel om de goede trouw meer gefundeerd te kunnen laten blijken.
Echter, de gevraagde voorlopige voorziening strekt mede tot het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw Pro. De rechtbank leidt uit de samenhang met artikel 305, tweede lid, Fw af dat een moratorium slechts kan worden verleend indien het ontruimingsvonnis uitsluitend op huurachterstand is gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat daar hier in het onderhavige geval geen sprake van is, nu het ontruimingsvonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 31 december 2013 mede gegrond is op het feit dat verzoekster zich niet als een goed huurder heeft gedragen waardoor schade aan de woning is ontstaan.
De gevraagde voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Ten aanzien van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek op grond van artikel 288, tweede lid, onder d, Fw dient te worden afgewezen, aangezien vast staat dat op verzoekster de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest in de periode van 6 augustus 2003 tot en met 6 augustus 2006. De regeling is beëindigd met toekenning van de schone lei.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- wijst het verzoek ex artikel 284 Fw Pro af;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, rechter, en in aanwezigheid van A. Mergen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2014.