Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2014:2550

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2014
Publicatiedatum
3 april 2014
Zaaknummer
C/10/442805 / FT EA 14/153 en C/10/442806/FT EA 14/154
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening moratorium wegens weigering minnelijk traject

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Verzoeker gaf aan vanwege een verslaving niet te kunnen werken en probeerde zijn schulden zelfstandig af te lossen.

Verweerster stelde dat er geen zekerheid is dat verzoeker toekomstige huur zal betalen, mede door het ontbreken van medewerking aan budgetbeheer en het niet nakomen van eerdere afspraken. Ook is er sprake van overlast en verslavingsproblemen.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie, maar dat de wetgever een minnelijk traject voorschrijft waarbij schuldenaar zich inspant om met schuldeisers tot een regeling te komen. Verzoeker weigert dit traject te volgen en wil zijn schulden zelfstandig oplossen zonder gebruik van schuldhulpverlening, waardoor het verzoek niet kan worden toegewezen.

De rechtbank verklaart verzoeker ook niet-ontvankelijk in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling omdat het minnelijk traject niet is doorlopen. Verzoeker kan later een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening moratorium wordt afgewezen omdat de schuldenaar niet bereid is het minnelijk traject te volgen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
Moratorium en verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro
rekestnummers: C/10/442805 / FT EA 14/153 en C/10/442806/FT EA 14/154
uitspraakdatum: 18 maart 2014
[verzoeker]
wonende te[adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 16 januari 2014, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw) een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van 16 januari 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 25 februari 2014 te 14:30 uur.
Ter zitting van 25 februari 2014 zijn verschenen en gehoord:
  • [verzoeker], verzoeker;
  • de heer D. Jalink, werkzaam bij Plangroep Albrandswaard
  • mr. R.A. van Es, werkzaam bij GGN Maas-Delta, namens de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Woningbouwvereniging Patrimonium te Barendrecht, (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak nader bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een nader te bepalen termijn bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en de verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij bij Bouman GGZ onder behandeling is vanwege een verslaving. Hoewel verzoeker van de gemeente geen vrijstelling van de sollicitatieplicht heeft gekregen, is verzoeker van mening dat hij niet kan werken. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij al schulden heeft afgelost en dat hij probeert om zijn resterende schulden zelf af te lossen.

3.Het verweer

Namens verweerster is ter zitting verklaard dat verzoeker weliswaar iets op zijn schuld is ingelopen maar dat er geen enkele zekerheid is dat verzoeker de komende periode de huurtermijnen tijdig zal voldoen. Verweerster heeft geen vertrouwen in een goede afloop nu verzoeker heeft aangegeven dat hij niet wil meewerken aan budgetbeheer en omdat in het verleden de tussen verzoeker en verweerster gemaakte afspraken niet door verzoeker zijn nagekomen. Nu sprake is van een verslavingsprobleem en verzoeker in het verleden overlast heeft bezorgd en bovendien ter zitting is gebleken dat verzoeker zijn financiële problemen zelf wil oplossen, heeft verweerster er echt geen vertrouwen meer in. Tot slot heeft verweerster aangevoerd dat naar haar mening de voorlopige voorziening niet kan worden gegeven in die situaties waarin een schuldenaar zijn schulden geheel zelfstandig wil oplossen zonder daarbij gebruik te maken van de diensten van een schuldhulpverlener.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 november 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 december 2013 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster bij niet voldoening aan het bevel tot ontruiming zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling overeen te komen gedurende het minnelijk traject.
Zoals blijkt uit de totstandkominggeschiedenis van art. 285 lid 1 sub f Fw Pro, heeft de wetgever het van belang geacht (i) dat voorafgaande aan de wettelijke schuldsanering eerst een buitengerechtelijke schuldregeling wordt beproefd, (ii) dat bij een daarop volgend verzoek tot schuldsanering, een verklaring wordt overgelegd als omschreven in artikel 285 lid Pro 1, onder f Fw en (iii) dat deze verklaring een betrouwbaar kompas vormt voor de rechter bij de beoordeling of in voldoende mate een minnelijke regeling is beproefd. Hoewel de huidige wettelijke regeling geen imperatieve eisen stelt aan de kwaliteit van het aanbod tot een buitengerechtelijke schuldregeling, brengt dat niet met zich dat in de fase voorafgaand aan het wettelijk traject een volstrekte vrijblijvendheid heerst (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p.42). In het minnelijk traject moet de schuldenaar zijn best gedaan hebben om met zijn schuldeisers tot een regeling te komen voor zijn schulden (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr.7, p.18) en moet uitputtend zijn onderzocht of tussen schuldeisers en schuldenaar een minnelijke schikking kan worden getroffen (Kamerstukken II2005-2006, 29 942, nr.7, p.28). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het aanbod recht dient te doen aan de juridische positie van de schuldeisers, zoals dit geldt in het traject van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
In dit geval heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij zijn schulden zelf wil oplossen, geen budgetbeheer wil en zich evenmin wil onderwerpen aan de bij het minnelijk traject geldende regels, hetgeen onder andere blijkt uit de kennelijk door verzoeker gedane selectieve betalingen aan zijn schuldeisers. Verzoeker heeft voorts niet de intentie om een verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro in te dienen in het geval zijn door hemzelf geïnitieerde schuldregeling niet het gewenste resultaat oplevert. Verzoeker solliciteert niet naar werk omdat hij zich daar – anders dan de gemeente – niet toe in staat acht.
Verder heeft verzoeker aan verweerster geen enkele zekerheid tot betaling van de toekomstige huurpenningen geboden. Dit klemt te meer, nu verzoeker geen inkomen uit werk heeft en er ook recent nog nieuwe schulden zijn ontstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de verklaring van verzoeker voldoende gebleken dat verzoeker het minnelijk traject niet wil uitvoeren op een wijze die de wetgever blijkens artikel 284 Fw Pro e.v. voorstaat en waarbij rekening wordt gehouden met de te respecteren belangen van alle schuldeisers.
Verzoeker poogt met zijn verzoek wel de lusten van de voorziening te verkrijgen maar is niet bereid om daarbij tevens de - ter bescherming van de belangen van de schuldeisers geldende - “lasten” voor zijn rekening te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzoek onder deze omstandigheden dan ook te worden afgewezen.
De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen rechter, en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2014.