De zaak betreft een bestuurlijke boete opgelegd aan eiser wegens het illegaal uitzenden op de FM-omroepband zonder de vereiste vergunning op grond van de Telecommunicatiewet. Na een initiële boete van € 15.000,- werd deze verlaagd tot € 2.500,-. Eiser maakte bezwaar tegen deze boete en stelde dat sprake was van een kortdurende proefuitzending en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn financiële situatie.
De toezichthouders van het Agentschap Telecom constateerden op 24 oktober 2012 een illegale uitzending op 98,2 MHz vanaf een antenne-installatie op het perceel van eiser. Technische en visuele waarnemingen bevestigden dat het radiosignaal vanaf deze locatie werd uitgezonden. Eiser erkende de overtreding niet te betwisten, maar voerde aan dat de boete disproportioneel was en dat de uitzending slechts een test was voor een latere vergunninghoudende uitzending.
De rechtbank oordeelde dat de boete terecht was opgelegd op basis van artikel 3.3 en 10.9 van de Telecommunicatiewet. De stelling van eiser dat de boete niet in verhouding stond tot zijn financiële situatie was onvoldoende onderbouwd. Ook de korte duur van de proefuitzending rechtvaardigde geen lagere boete. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 werd daarom ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang.
De rechtbank bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiser moest vergoeden en veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.