De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis van 15 april 2009, waarin eiser was veroordeeld tot betaling van contributie en bijkomende kosten voor een sportschoolabonnement. Eiser had derdenbeslag gelegd op de bankrekening van gedaagde en stelde dat verzet niet tijdig was ingesteld omdat het vonnis op de datum van de eerste beslagbetaling was ten uitvoer gelegd.
Gedaagde voerde aan dat zij niet op de hoogte was van het vonnis en het derdenbeslag pas in augustus 2013 ontdekte, waarna zij binnen vier weken verzet instelde. De kantonrechter oordeelde dat vanwege de omstandigheden van de af- en bijschrijvingen op de ondernemersrekening van gedaagde niet kon worden aangenomen dat zij eerder bekend was met het vonnis, waardoor het verzet tijdig was.
Verder stelde gedaagde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden per 1 november 2007 was beëindigd, hetgeen eiser niet gemotiveerd betwistte. Hierdoor werd de vordering tot betaling van contributie en bijkomende kosten afgewezen. Ook de stelling dat de bedingen tot stilzwijgende verlenging, boete en administratiekosten onredelijk bezwarend waren, bleef onbesproken omdat de overeenkomst reeds was beëindigd.
Eiser werd veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure. Het verstekvonnis werd vernietigd en de oorspronkelijke vordering afgewezen.