De zaak betreft een bestuurlijke boete van €150.000,- opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB) aan eiser, bestuurder van een vennootschap die zonder vergunning het bankbedrijf uitoefende. DNB stelde dat eiser feitelijk leiding gaf aan deze overtreding van artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
Eiser voerde aan dat hij niet feitelijk leiding had gegeven en dat hij onschuldig was wegens rechtsdwaling op advies van zijn advocaat. De rechtbank oordeelde dat eiser als zelfstandig bevoegd bestuurder zelf de uitvoeringshandelingen verrichtte en dat het opzet gericht hoefde te zijn op de gedragingen, niet op de wederrechtelijkheid. Het beroep op rechtsdwaling faalde omdat het advies onvoldoende was en eiser niet mocht vertrouwen op de gekozen structuur.
Ook de hoogte van de boete werd door de rechtbank bevestigd. DNB had het basisbedrag van €2.000.000,- gematigd met 25% wegens verminderde verwijtbaarheid en verder gematigd tot €150.000,-. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd van onvoldoende draagkracht en dat zijn inspanningen om de overtreding te beëindigen onvoldoende waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.