Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om bijzondere bijstand. Nadat verweerder alsnog besloot op de aanvraag, trok eiser het beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling. De rechtbank verklaarde het verzoek aanvankelijk niet-ontvankelijk vanwege het niet betalen van het griffierecht in het oorspronkelijke beroep.
Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing. De rechtbank overwoog dat volgens de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het betalen van het griffierecht een voorwaarde is voor de toegang tot de rechter en dat dit voorafgaand aan de beoordeling van een verzoek om proceskostenveroordeling moet zijn voldaan.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek nauw verbonden is met het ingetrokken beroep en dat de wetgever heeft beoogd dat ontvankelijkheid eerst wordt vastgesteld. Daarom werd het verzet gegrond verklaard en het verzoek om proceskostenveroordeling niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.