ECLI:NL:RBROT:2014:4438

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2014
Publicatiedatum
2 juni 2014
Zaaknummer
C/10/447631 / FT EA 14/771
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens te lichtvaardige keuze pre-pensioen

Verzoeker en zijn echtgenote dienden een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege financiële problemen na het pre-pensioen van verzoeker in 2008. Verzoeker is in gemeenschap van goederen gehuwd en heeft een inkomen uit AOW en aanvullend pensioen. De schuldenlast bedraagt ruim €226.000.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek alleen kan worden toegewezen indien aannemelijk is dat de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw zijn ontstaan. In dit geval is vastgesteld dat de financiële problemen voortkomen uit een vrijwillige keuze voor pre-pensioen, ondanks dat verzoeker niet verplicht was hiertoe door zijn werkgever. Tevens kochten verzoeker en zijn echtgenote in 2004 een huis ver van het werk met een hypothecaire lening, gebaseerd op een onjuiste veronderstelling over baanverlies.

De rechtbank acht deze keuzes te lichtvaardig en rekent het risico van lagere inkomsten zowel verzoeker als zijn echtgenote aan. Er zijn geen feiten die toelating tot de regeling ondanks het ontbreken van goede trouw rechtvaardigen. Ook het vooruitzicht op aanvullende inkomsten als brandwacht weegt niet mee omdat verzoeker voor 30 maanden niet beschikbaar was voor arbeid. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
nummer verklaring: [nummer]
uitspraakdatum: 2 juni 2014
[naam],
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft samen met zijn echtgenote, mevrouw [naam], (rekestnummer: [nummer]) op 24 maart 2014 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is, in bijzijn van zijn echtgenote, gehoord ter terechtzitting van 22 mei 2014. De uitspraak is bepaald op heden.

2.De feiten

Verzoeker is in gemeenschap van goederen gehuwd. Het inkomen van verzoeker bestaat uit een AOW-uitkering met aanvullend pensioen. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring op grond van artikel 285 van Pro de Faillissementswet € 226.723,41.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de financiële problemen van verzoeker en zijn echtgenote zijn ontstaan als gevolg van het pre-pensioen van verzoeker in 2008 en de daarmee samenhangende daling van het inkomen. Verzoeker heeft erkend vrijwillig daarvoor te hebben gekozen en daartoe niet verplicht te zijn door de werkgever bij wie hij ruim 35 jaar in dienst was. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker deze keuze te lichtvaardig heeft genomen, te meer in het licht van het feit dat verzoeker en zijn echtgenote in 2004 op grote afstand van het werk van verzoeker een huis hebben gekocht en een hypothecaire lening zijn aangegaan in de onjuist gebleken veronderstelling dat verzoeker bij een reorganisatie zijn baan zou verliezen. Het bewust aanvaarden van het risico van lagere inkomsten en de aankoop van het huis door verzoeker en zijn echtgenote zonder zekerheid dat reorganisatie consequenties had voor verzoeker rekent de rechtbank zowel verzoeker als zijn echtgenote aan. De schulden, althans een belangrijk deel daarvan, zijn mitsdien niet te goeder trouw ontstaan.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Daartoe is niet voldoende dat verzoeker gerekend had op aanvullende inkomsten die hij hoopte te verwerven door werkzaamheden te verrichten als brandwacht, nu hij voor een periode van 30 maanden als gevolg van voor zijn rekening en risico komende omstandigheden niet beschikbaar was voor arbeid.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt daarom afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van N. Roos, griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2014. [1]