Eiseres diende op 13 mei 2013 een informatieverzoek in bij verweerder op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder had uiterlijk 10 juni 2013 moeten beslissen, maar deed dit pas op 12 augustus 2013. Eiseres stelde verweerder op 10 juni 2013 schriftelijk in gebreke wegens het niet tijdig beslissen.
Verweerder stelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat deze op de laatste dag van de beslistermijn was verzonden en weigerde een dwangsom toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat de ontvangst van de ingebrekestelling door verweerder bepalend is en dat deze niet prematuur was. Het beroep van eiseres was gegrond en het besluit van 14 november 2013 werd vernietigd.
De rechtbank kende eiseres de maximale dwangsom van €1260 toe, omdat verweerder 49 dagen te laat had beslist terwijl de maximale looptijd van de dwangsom 42 dagen bedraagt. Daarnaast werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed. De rechtbank zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.