De zaak betreft een wrakingsverzoek van de verdediging tegen drie rechters van de rechtbank Rotterdam, ingediend naar aanleiding van de afwijzing van een verzoek tot het horen van een getuige in strafzaken. De verdediging stelde dat de afwijzing onbegrijpelijk was en duidde op vooringenomenheid, omdat de rechters de betrouwbaarheid van de enige verklaring waarop de tenlastelegging rustte, niet hadden getoetst.
De rechtbank behandelde het wrakingsverzoek in een meervoudige kamer. De verdediging voerde aan dat het verzoek tot het horen van de getuige te laat was ingediend vanwege een fout van het Openbaar Ministerie, en dat het horen van de getuige noodzakelijk was voor een eerlijk proces. De rechters en het Openbaar Ministerie betwistten dit en benadrukten dat wraking niet kan worden ingezet tegen onwelgevallige beslissingen.
De wrakingskamer oordeelde dat een rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid. De afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige was niet zo onbegrijpelijk dat alleen vooringenomenheid dit kon verklaren. Ook was er geen sprake van dat de rechters hun oordeel hadden gebaseerd op reeds vastgestelde feiten of een vooringenomen standpunt. De kamer concludeerde dat het verzoek ongegrond was en wees het af.