Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
mrs. W.H.J. Stemker Köster, B. Puite en J.T.F.M. van Krieken, rechters in de rechtbank Rotterdam, afdeling publiekrecht, team straf 2 (hierna: de rechters).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters van de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van het afwijzen van verzoeken tot het horen van twee getuigen. De rechtbank had eerder deze verzoeken toegewezen, maar later afgewezen omdat het niet aannemelijk was dat de getuigen binnen een redelijke termijn gehoord konden worden. De verdediging stelde dat deze beslissingen onbegrijpelijk waren en een schijn van vooringenomenheid wekten.
De wrakingskamer heeft het dossier bestudeerd, waaronder het proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke reacties van partijen. De kamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Een onwelgevallige of zelfs onjuiste beslissing is op zichzelf geen grond voor wraking.
De rechtbank had de afwijzing gemotiveerd met het feit dat één getuige in Pakistan verbleef en het horen minimaal 6 tot 12 maanden zou duren, en dat de identiteit van de andere getuige niet kon worden vastgesteld vanwege prepaid telefoonnummers. De wrakingskamer oordeelde dat deze motivering begrijpelijk is en dat er geen reden is om aan te nemen dat de beslissingen door vooringenomenheid zijn ingegeven.
Ook de beslissing omtrent de voorlopige hechtenis werd als niet onbegrijpelijk beoordeeld. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen. De wrakingskamer liet verder een wrakingsgrond over het onderzoek naar de container buiten beschouwing omdat deze niet meer relevant werd geacht.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.